Nieuw licht op oude helden

Recensent Max Pam pakt de draad weer op – met een bespiegeling over de belangrijkste denkers van de Verlichting.

Anders dan u van mij gewend was, zal ik niet meer elke literaire oprisping bespreken die in Nederland verschijnt. Meer dan voorheen zal ik afgaan op mijn eigen interesses, mijn eigen smaak en voorkeuren, mijn eigen hobby’s en obsessies, waarbij ik zal proberen u – o, lezer – niet uit het oog te verliezen.

De geest moet waaien en daarvoor is een brede horizon nodig. Fictie, non-fictie, Nederlands, Engels, vertaald Swahili, het maakt niet uit, zolang het maar op mijn pad komt als een boek dat de moeite waard is om te lezen. Alleen kookboeken en zelfhulpboeken zie ik mij nog niet bespreken. Om de lezer gerust te stellen: een flinke kraakpartij op zijn tijd lucht op en die zal ik ook beslist niet uit de weg gaan. Maar over het algemeen zullen hier eerder boeken worden besproken die werkelijk iets te vertellen hebben, dan boeken die slechts uitnodigen tot een vrolijk partijtje meppen.

Uiteindelijk schrijft een criticus om zijn lezers tot lezen aan te zetten en niet om ze het lezen af te raden of onmogelijk te maken.

Een boek dat naar mijn mening te weinig aandacht heeft gekregen, is Het verdorven genootschap van Philipp Blom. Met een mooier portret van een kleine groep intellectuelen kun je niet beginnen. Dit boek is niet alleen belangwekkend omdat het zo goed of zo mooi geschreven is, maar ook omdat het een aantal misvattingen uit de weg probeert te ruimen. Het verdorven genootschap gaat over de radicale voorvechters van de Verlichting, die tussen 1750 en 1770 bijeenkwamen in de Parijse salon van baron d’Holbach.

Bij het begrip ‘Verlichting’ zijn wij geneigd in eerste instantie naar Voltaire en Rousseau te verwijzen. Deze twee filosofen hebben lang een grote invloed uitgeoefend op het Europese denken en verschillende van hun thema’s zijn nog steeds actueel. Overigens konden zij samen niet door één deur. Voltaire zou zich in zijn praalgraf omdraaien wanneer hij wist dat in de entree van Ferney – het kasteeltje nabij Genève waar hij jarenlang heeft gewoond – ook een buste van Rousseau is neergezet.


Philipp Blom, een Duitser die uitstekend Nederlands spreekt en dit boek in het Engels heeft geschreven, probeert in Het verdorven genootschap aan te tonen dat Voltaire en Rousseau voor een belangrijk deel de Verlichting hebben genaast ten koste van d’Holbach en Diderot. Blom trekt heel duidelijk partij voor de laatste twee.

Voltaire was de satiricus, die de Parijse zaken vanuit de verte moest bijhouden. Hij was een buitengewoon scherpzinnig schrijver, een geëngageerd man ook, maar tevens een intrigant die als filosoof niet in de schaduw kon staan van Paul-Henri Thiry d’Holbach en Denis Diderot.

In veel opzichten was Voltaire niet radicaal, maar behoudend. Zonder God ging het in zijn ogen niet. Zelf zou hij misschien nog wel zonder een opperwezen kunnen, maar waar moest het heen met het gemene volk als er geen God meer is, en geen kerk, om het gepeupel onder de duim te houden? En zo blijft Voltaire steken op het deïsme, de laatste halte voor de radicale stap naar het atheïsme. God heeft als een horlogemaker de natuurwetten gemaakt en in werking gezet, maar daarna is er voor Hem geen noodzaak meer om zich met ons universum te bemoeien.

Zeer negatief schrijft Blom over Jean-Jacques Rousseau. In de ogen van Blom was Rousseau een onmogelijk mens, een rotzak eigenlijk, die elke vorm van assertiviteit miste en zijn omgeving voornamelijk tegemoettrad met wantrouwen. D’Holbach en Diderot beschouwden de latere Rousseau als een querulant en een verrader, die de edele principes van de Verlichting overboord had gegooid. Als romanticus was Rousseau weer bij het geloof beland en bij de erfzonde, die van de mens een verdorven wezen maakt. Wij moeten terug naar de natuur, toen alles nog puur en ongerept was. In zijn beroemde Du contrat social ou Principes du droit politique uit 1762 ontwierp Rousseau zelfs een blauwdruk voor de ideale samenleving. Niet zonder cynisme merkt Blom op dat deze blauwdruk later vooral vorm heeft gekregen in het communisme onder Stalin.


Diderot had Rousseau in 1749 gevraagd mee te werken aan de Encyclopédie, een voor die tijd kolossaal project dat zo’n beetje ‘alles wat het geval is’ moest beschrijven op een wetenschappelijke manier. Het werden 28 delen met in totaal 72.000 lemma’s, waarvan Diderot er zo’n zesduizend voor zijn rekening nam. Het samenstellen van de Encyclopédie was een gevaarlijke klus, want kerk en staat lieten hun macht voelen via de censuur.

Zonder de salon van d’Holbach in de Rue du Moulin te Parijs zou de Encyclopédie er vermoedelijk nooit zijn gekomen. De grote geesten van die tijd, die bijna allen ook medewerker waren, kwamen daar bijeen om te discussiëren over fundamentele vraagstukken. Rousseau bleef weg, maar verder waren ze er allemaal: d’Alembert, Helvetius, Buffon en De la Mettrie. Het was een internationaal gezelschap, waarin ook Adam Smith en David Hume verkeerden. Vermoedelijk is zelfs Benjamin Franklin er geweest. Je kunt met recht spreken van de meest imposante denktank uit de geschiedenis.

Als bemiddeld man was d’Holbach de drijvende kracht achter de salon. Hij zorgde voor omvangrijke maaltijden en zijn wijnkelder schijnt fenomenaal te zijn geweest. En wie niet van lekker eten en drinken hield, kwam wel af op d’Holbachs aantrekkelijke echtgenote, die de perfecte gastvrouw speelde. De baron was echter veel meer dan een salonhouder. Hij was de eerste serieuze atheïst na de Oudheid. Hij was ook een pure materialist, die de mens zag als een onderdeel van de natuur. Als een aangeklede aap, zou men tweehonderd jaar later zeggen.

D’Holbachs levenswijze sloot naadloos aan bij zijn filosofie. De mens moest zich bewust zijn van zijn hartstochten en omdat hij maar één keer leefde, was het een morele plicht om te genieten, wat voor d’Holbach overigens niet betekende dat je amoreel je gang kon gaan. Uiteraard schreef d’Holbach onder pseudoniem. Hij was de didacticus van het genootschap. Zoals Alfred Ayer de filosofie van de analytische school heeft uitgelegd, zo was het d’Holbach die niet moe werd de principes van de radicale Verlichting uiteen te zetten.


Maar de werkelijke held van Blom is Diderot. Als het aan Blom ligt, worden de geschiedenisboeken herschreven. Het is inderdaad opmerkelijk hoe modern de ideeën van Diderot zijn. Veel van zijn gedachten over de menselijke drijfveren zijn nog steeds geldig, maar ook als politiek-maatschappelijk denker was Diderot uniek. De ontdekkingsreizigers hadden nauwelijks Tahiti ontdekt, of Diderot schreef al een verhandeling over het kolonialisme die je morgen weer kunt afdrukken. Honderd jaar voor Multatuli was Diderot op dit terrein Multatuli al honderd jaar vooruit.

Philipp Blom: Het verdorven genootschap – De vergeten radicalen van de Verlichting. De Arbeiderspers, €29,90. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

import pam over boeken