Het merk CDA

Elke week één artikel uit HP/De Tijd in zijn geheel op de website. Deze week de column van Jack de Vries over het CDA.

De strijd over het partijvoorzitterschap van het CDA werd in veel media beschreven als een strijd tussen links en rechts. Anderen gingen nog verder: zij koppelden links aan de protestanten en rechts aan de katholieken. Op die manier wordt nu een strijd verwacht tussen de, inmiddels verkozen, linkse protestant Ruth Peetoom en de rechtse katholiek Maxime Verhagen.
In strijd met die typering werd ik overigens vorige week in dit blad aangekondigd als een vertegenwoordiger van het rechtse geluid. En dat terwijl ik toch echt protestant ben! Dat geeft al aan dat het op die manier plaatsen van CDA’ers in links-rechtshokjes niet werkt.
Zie ook de als rechts en conservatief versleten katholiek Hans Hillen. Iedereen is blijkbaar vergeten dat hij als een van de eersten, al voor de verkiezingen van 2002, in het CDA de hypotheekrente-aftrek ter discussie stelde. Dat is toch een standpunt dat over het algemeen als links geldt.
En het was de vermeend rechtse Verhagen onder wiens leiding tijdens de kabinetten Balkenende (protestant) de fractie regelmatig en succesvol een bijstelling van het hervormingsbeleid afdwong die meer recht deed aan het ‘sociale gezicht’ van het CDA.
Kortom, iedereen die nu hoopt op een links-rechtsstrijd tussen Verhagen en Peetoom kan weleens bedrogen uitkomen.
Bovendien, het aloude links-rechtsschema is al volledig ondergraven door partijen als de PVV en de SP. De eerste staat als rechts te boek, terwijl ze economisch gezien linkse standpunten inneemt. De tweede wordt als links gezien, maar kan op immateriële kwesties vaak rechts uit de hoek komen. De verklaring hiervoor is dat bij gebrek aan historisch gewortelde ideologie de standpunten meer populistisch worden bepaald. De SP en de PVV staan ook allebei kritisch ten opzichte van Europa en internationale betrokkenheid bij vredesmissies. Ze sluiten daarmee overigens aan bij het gevoel van een groot aantal kiezers, dus je kunt het ook gewoon een kwestie van politieke marketing noemen.
Omdat deze aanpak electoraal succesvol is, komen de gevestigde politieke stromingen van liberalisme, sociaal-democratie en christen-democratie in de problemen. Met een afkalvende vaste achterban moeten immers ook deze partijen hun best doen om diezelfde zwevende kiezers te veroveren. Dat is niet alleen een probleem voor het CDA, maar ook voor de PvdA en de VVD.
Zeker, de VVD is nu de grootste partij en levert de premier, maar dat succes is niet te danken aan de herbronningsactiviteiten tijdens de oppositieperiode. Het vernieuwde Liberaal manifest van de hand van de huidige premier en zijn poging om de VVD ‘groen-rechts’ te maken zijn niet bepaald aan te wijzen als de oorzaak van zijn succes.
Net zomin overigens als dat de wederopstanding van het CDA in 2002 enkel te danken was aan de vele inhoudelijke plannen die het Wetenschappelijk Instituut en de fractie onder leiding van Ab Klink en Jan Peter Balkenende hadden ontwikkeld.
De hoofdverklaring voor zowel 2010 als 2002 blijft dat de kiezers ontevreden waren, verandering wilden en hun steun gaven aan een oppositiepartij.
Met die onderstroom in de samenleving wisten toen het CDA en nu de VVD zich te positioneren als een eensgezinde partij, met een heldere kernboodschap en een gedragen lijsttrekker. De kern: het gaat om vertrouwen in het merk.
Verhagen weet dat, door zijn jarenlange ervaring, als geen ander. En Ruth Peetoom heeft dat ook nog eens helder geanalyseerd als lid van de commissie-Frissen die de verkiezingsnederlaag van 2010 analyseerde. Er moet het nodige gebeuren in het CDA, dat is zeker. Maar wel in het besef dat de kiezer niet denkt in links of rechts, maar in vertrouwen.

Jack de Vries