Robert Gesink gaat voor geel

De ogen van wielerliefhebbers zijn zondag bij de Amstel Gold Race op hem gericht. Ook bij de ronde van Frankrijk is hij present. Natuurlijk wil Robert Geesink graag winnen – maar liever niet te snel. Een gesprek over schoonheid van het fietsen, en de man die hem dat bijbracht.

De Achterhoek is nat en koud vandaag. Kinderen fietsen met zware schooltassen naar huis op de paden langs de weilanden, waar de wind altijd uit de verkeerde richting lijkt te waaien en het karakter vormt. Robert Gesink (24), een kleine glimlach om de lippen: “Heel veel fietsers zijn mensen van buiten, ze rijden graag rond en kijken. Zo beleef je een heleboel mooie momenten, gaat naar plekken waar je normaal nooit komt. Dat is voor mij een belangrijk deel van de sport.”

De vraag was wat er zo mooi aan is aan wielrennen. Het is niet zomaar een vraag. Afgelopen herfst en winter had Gesink door tragische familieomstandigheden alle tijd en ruimte om na te denken over de zin en waanzin van zijn bestaan. De uitkomst van dat denkwerk is positief. “Als ik ’s ochtends opsta, moet ik eerst bewegen. Anders zit ik de rest van de dag niet lekker in mijn vel. Dan zijn er nog die momenten na de training: het analyseren, het kijken naar de getalletjes. Dat doe ik graag. Voor dat gevoel, als het allemaal goed is, daar fiets ik voor.”

Het was allemaal goed, begin dit jaar, in de Ronde van Oman. In het surrealistische decor van de woestijnstaat legde Gesink, de klimmer pur sang, het peloton zijn wil op in de tijdrit en de koninginnenrit. “De aankomst van de koninginnenrit was zes kilometer bergop, met een gemiddeld stijgingspercentage van tien procent. Dan kun je het verschil wel maken. De laatste twee kilometers waren nog behoorlijk steil. Op twee ging ik weg. Volle bak, niet achteromkijken, dat doe ik altijd pas na een tijdje. Op zulke momenten kun je ook niet meer helder denken, de zuurstofnood belemmert een fatsoenlijke redenering. Zeker zo vroeg in het seizoen is het lastig om zo diep te gaan, omdat je het in de training nog nauwelijks hebt gedaan. Het was mijn vierde koersdag, ik had mezelf nog niet binnenstebuiten getrokken. Het deed ontzettend zeer, pas op vijfhonderd meter van de finish had ik er vertrouwen in. Heel speciaal. Ik had er lange tijd naar uitgekeken. Het lukte. Een mooie dag.”

Lees het gehele artikel in de HP/De Tijd van deze week.

Marc Hoeben