De Bierman

‘Ik wil je er ook wel een kusje voor geven, hoor.” Ruurd Bierman, bestuurlid van de Nederlandse Publieke Omroep en voorzitter van de Prix Europa, probeert het losjes te brengen, maar heeft meteen spijt. Knijpt met de afgewende ogen alsof hij zichzelf in de ballen heeft gestompt. We zitten in een stevig vraaggesprek over het merkwaardige allochtonenquotumballonnetje dat de NPO onlangs opliet. Met draaiende camera. Ik heb net een schouderkneepje gekregen omdat PowNews vaker allochtonen in beeld brengt dan hij dacht. De zoen sla ik af. Mijn volgende vraag ben ik even kwijt, maar Bierman al zijn volgende antwoorden.

In de bombardementen van mannentyperingen ontbreekt er één die zich nu scherp aftekent, meer nog dan de metro-retro-kwarthetero een product van deze tijd: de Bierman. De Bierman is een goedzak, overwegend welbedoelend. Maar hij marcheert in een leger van de oudestempelgeneratie, geboren tussen negentienhonderdvijfenveertig en negentienhonderdvijfenvijftig. De Biermanbroeders wéten dat ze vrouwen moeten tolereren in hun tot voor kort door louter mannen bevolkte wereldje, en willen daarover de lulligste niet zijn, maar ze weten nog níet hoe dat zonder seksisme moet. Resultaat: onwennige stuiptrekkingen. De Bierman bekleedt (semi)hoge functies en je komt hem in alle branches tegen. Hij heeft vaak iets licht getormenteerds (een erfenis van overexposure aan Bob Dylan/Neil Diamond/Simon & Garfunkel). Hij lacht om vrouwonvriendelijke grappen. En kijkt erbij alsof hij zijn laatste oortje heeft versnoept. (Overigens drinkt hij zelden bier.)

Bierman Ruurd (1952) kwam er in ons interview niet echt uit. En Biermannen die er niet uitkomen tegenover vrouwen gaan rare dingen doen. Dingen zeggen als: “U kijkt zo lief” (Jan Peter Balkenende, 1956). Mijn muren kan ik behangen met dergelijk vraagpareren. “Worden je mooie witte schoentjes niet vies in de modder?” (Job Cohen, 1947). “Ik droom al van je, moet ik ook nog met je praten?” (Pieter Broertjes, 1952 ). “Ga je me bespringen?” (Bernard Welten, 1955). “Ik heb een tatoeage op een heel rare plek. Zal ik die eens laten zien?” (Kees Jansma, 1947). De ‘Nou, mevrouwtjes’ van Eberhard van der Laan (1955) en de ontelbare afleidingsmanoeuvres/knipoogjes van Hero Brinkman (1964 – een Bierman-leeftijdsexceptie. Het niet-bierdrinken gaat hier evenmin op).


Na dit soort wat treurige momentjes is de Bierman vaak weinig geneigd tot latere gesprekshervatting. En dat is jammer, want zo wordt het platonisch-professioneel natuurlijk nooit wat met Biermannen en de vrouwen. Onlangs laaide de allochtonenquotumdiscussie weer even op toen het ministerie van OCW liet weten er niets in te zien. Maar Ruurd wilde me niet meer te woord staan. Daarom hier nog één poging: Ruurd, ik hoop dat je een volgende keer wél weer met me wilt praten. Al is het maar om te oefenen. Ik wil je er ook wel een kusje voor geven, hoor.

Jojanneke van den Berge