De Mukhabarat is overal

Na Tunesië, Egypte en Libië is het nu ook onrustig in Syrië. De kans dat president Bashar al-Assad al dan niet gedwongen zal terugtreden, is praktisch nihil. Verslag vanuit een land in de greep van de angst.

Twee maanden geleden was de Syrische president Bashar al-Assad (45) er nog stellig van overtuigd: zijn land is immuun voor onrust zoals die op dat moment in Tunesië en Egypte was ontstaan. ”We kampen met moeilijker omstandigheden dan de meeste andere Arabische landen,” zei hij in een interview met de Wall Street Journal. ”Desondanks is Syrië stabiel. Waarom? Omdat ons beleid bijna volledig in lijn is met de wensen van het volk.” Dat laatste is niet honderd procent gelogen. Bashar al-Assad, die in 2000 zijn vader Hafiz opvolgde, geniet in zijn land nog altijd grote populariteit. Goed, zelfs onder zijn aanhangers heerst het besef dat het land toe is aan verandering, maar zoals de president zelf zegt in het interview: ”We zijn begonnen met hervormingen sinds ik president ben. Je moet niet het paard achter de wagen spannen. Als je hervormingen wilt doorvoeren, moet je beginnen met 1, 2, 3, 4. Je kunt niet met 6 beginnen en dan terug gaan naar 1.” Hoewel Bashar al-Assad na dertig jaar van stagnatie onder zijn vader voor veel Syriërs symbool staat voor vooruitgang, is er een groeiende groep die vindt dat het hervormingsproces lang niet snel genoeg gaat. In navolging van de bevolking in Tunesië, Egypte, Jemen en Bahrein gingen Syriërs de laatste weken daarom in groten getale de straat op om te betogen voor meer vrijheden en een beter leven op de kórte termijn. Triest gevolg: honderden doden.

Wie de afgelopen maand als toerist door Damascus kuierde, hoefde niets te merken van de toegenomen spanningen. Het centrum van de hoofdstad was kleurrijk en gemoedelijk als altijd. Sjiitische pelgrims uit Iran en Irak, gehuld in zwarte gewaden die opbollen in de wind, verzamelden zich rond de sjiitische Omayyad-moskee, waar zich de schedel van Johannes de Doper zou bevinden, die ook door islamieten als profeet wordt gezien. In de naastgelegen soek al-Hamadiyye werd bloeiende handel gedreven in kruiden, kleding, speelgoed en zoetigheden. Daar waar de christelijke wijk begon, liepen stelletjes hand in hand en speelden bejaarde mannen backgammon op straat. Maar de toeristen die zich aan een rondreis door het 22,5 miljoen inwoners tellende land waagden, stuitten wel op problemen. Zo was een bezoek aan toeristische trekpleisters als de kustplaats Latakia en het noordelijk gelegen Aleppo, waar zich een beroemde citadel bevindt, opeens onmogelijk doordat delen van die steden waren afgezet door het leger. Daarnaast werden er willekeurig mensen gearresteerd en viel er een groot aantal (hoeveel precies is onbekend) doden en gewonden. De berichtgeving is, nadat bijna alle westerse journalisten het land zijn uitgegooid, al weken beperkt en in hoge mate onbetrouwbaar. De oproep tot protest klonk half maart voor het eerst, in de zuidelijke provinciestad Dara’a, dicht bij de grens met Jordanië. Aanleiding: de arrestatie van een groep jongeren die met graffiti anti-regeringsleuzen op een muur hadden gespoten. Twee weken verdwenen ze achter de tralies, waar ze ondanks hun jeugdige leeftijd – elf tot vijftien jaar – net als zo veel volwassen gevangenen werden gemarteld. ”Een bevriende sjeik in Dara’a bezocht de jongeren in de gevangenis,” zegt Mouaz al-Khatib, voormalig imam van de bekende Omayyad-moskee in Damascus. ”Twee van hen hadden gebroken tanden. Van één jongen waren de vingernagels uitgetrokken.” Al Khatibs metgezellen, bijeengekomen in de woning van de prominente mensenrechtenactiviste Suhair Atassi in Damascus, schudden het hoofd. Ze zien reikhalzend uit naar de dag dat dit soort wreedheden niet meer voorkomt in Syrië. Enige voordeel: ze zorgden voor grote beroering in Dara’a, waar een steeds groter wordende stroom mensen door de straten trok. Wat zich precies in de stad afspeelde, blijft gissen. Het telecomnetwerk lag plat en journalisten werd de toegang tot de stad ontzegd. Bij vlagen verschenen er filmpjes op YouTube. Winkelruiten bleken ingeslagen, een standbeeld van Hafiz al-Assad was naar beneden gehaald, partijgebouwen waren in brand gestoken en er waren doden gevallen. Sindsdien is de geest uit de fles. Afgelopen weekend was het wederom raak in Dara’a. Minstens 26 demonstranten én 19 agenten lieten het leven, wat het totale dodenaantal in Syrië boven de 200 doet uitstijgen. In twee buitenwijken van Damascus braken eveneens onlusten uit, en voor het eerst waren er ook hevige protesten in Qashmili, de noordoostelijke regio van Syrië waar vooral Koerden wonen.


Hoewel het met het oog op de Arabische Revolutie een kwestie van tijd leek voordat ook in Syrië de eerste betogingen zouden plaatsvinden, kwamen deze voor velen toch als een verrassing. De gevreesde veiligheidsdienst, de Mukhabarat, heeft sluimerende protesten jarenlang met succes de kop in weten te drukken. Menig Syriër herinnert zich maar al te goed het bloedbad in de stad Hama in 1982. Daar kwamen bij protesten van de fundamentalistische Moslimbroederschap tussen de 20.000 en 40.000 mensen om. De slachtpartij vormde een poging van Hafiz om de soennitische meerderheid, die bijna driekwart van de bevolking vormt, te laten weten wie de baas was. Zelf zijn de Assads alawieten. Veel moslims kijken neer op deze tak van het sjiitische geloof, die er enkele ‘on-islamitische gewoontes’ op nahoudt. Zo geloven alawieten in reïncarnatie en vieren ze enkele christelijke feestdagen. Waar de Assads decennialang terecht vertrouwden op de effectiviteit van bruut geweld, beseft president Bashar sinds het gedwongen vertrek van zijn Egyptische collega Mubarak dat hij beter een tweesporenbeleid kan voeren. Met zijn linkerhand mept hij demonstranten neer, met zijn rechterhand deelt hij ‘cadeautjes’ uit. Zo meldde het regime medio vorige week plotseling dat het enige casino van het land zijn deuren gesloten had, overduidelijk om de conservatieve soennieten te paaien. Bovendien bleek het verbod op de gezichtssluier op scholen en universiteiten, de nikab, opeens opgeheven. De 300.000 officieel als statenloos geregistreerd staande en nauwelijks rechten hebbende Koerden in het noord-oosten probeerde Assad koest te houden door hen alsnog het Syrische staatsburgerschap in het vooruitzicht te stellen. Maar dat was too little, too late. ”We hoeven geen staatsburgerschap,” riepen de Koerden. ”We willen vrijheid!” Als klap op de vuurpijl stuurde Assad zijn kabinet naar huis en kondigde hij aan dat de noodtoestand, die al sinds 1963 van kracht is, zal worden opgeheven.


”Allemaal symboolpolitiek,” sneert een 24-jarige Syrische journaliste die Lulu genoemd wil worden. ”Je zult zien dat precies dezelfde mensen uit het kabinet opnieuw worden benoemd, maar dan op een andere positie. En in plaats van de noodtoestand wordt er een terrorismewet van kracht, wat op hetzelfde neerkomt. Wat betreft de andere hervormingen: er is geen concrete deadline genoemd, dus het zou zomaar kunnen dat de maatregelen jarenlang ‘bestudeerd’ worden en vervolgens nooit worden doorgevoerd.” Lulu en haar partner Jim, die voor het Britse consulaat werkt, zitten deze dagen zo veel mogelijk binnen. Ze volgen het nieuws via de internationale nieuwszenders – die volgens Assad niets dan leugens verkondigen – op de voet. ”Op straat stikt het van de geheime dienst,” zegt Jim. ”We zijn heel erg op ons hoede. Laatst zijn enkele van onze vrienden ondervraagd omdat ze lid zijn van een Facebook-groep die oproept tot protesten.” Facebook is sinds een aantal weken voor het eerst zonder ingewikkelde omweg toegankelijk, maar wordt sindsdien door de Mukhabarat dankbaar gebruikt als middel om tegenstanders op te sporen. ”We hoorden het verhaal van een jongen die in een internetcafé een pagina van de Facebook-revolutiepagina printte,” vertelt Jim. ”Tien minuten later stond de geheime dienst voor de deur van het café.”

Het regime wijst, om de onrust te verklaren, al weken naar ‘onbekende, gewapende troepen’ die het land onveilig zouden maken. In een toespraak die Assad twee weken geleden op de staatstelevisie hield, sprak hij van een buitenlands complot. Fundamentalisten, afkomstig uit het vijandige Libanon, Israël of uit de Palestijnse vluchtelingenkampen, zouden geld en wapens hebben gekregen om Syrië ten gronde te richten. Op de staatstelevisie werd vorige week vrijdag minutenlang een gang in beeld gebracht – volgens de critici duidelijk een stel verklede mannen van de Mukhabarat. Veel Syriërs zien echter geen reden om aan de geloofwaardigheid van Bashar al-Assad te twijfelen. De president geniet niet alleen aanzien onder de oude garde, maar ook onder de vele jongeren die het land telt – bijna de helft van de Syriërs is jonger dan vijftien. In Tunesië en Egypte waren het juist de jongeren die het voortouw namen bij de protesten. De jongeren in Syrië beschouwen hun president als een man met grote capaciteiten. Vaak wordt met trots opgemerkt dat hij een opleiding tot oogarts in Londen heeft genoten. Veel tijd om zich in de artsenij te specialiseren was Bashar echter niet gegund. Toen zijn broer Basil bij een auto-ongeluk om het leven kwam, werd de president met onmiddellijke ingang teruggehaald naar Syrië, waar hij een spoedcursus in het leger moest ondergaan. Hij schopte het tot kolonel. Dat Bashar niet direct een militaire achtergrond heeft, maakt hem des te meer geliefd. Zijn broer Basil, die al vanaf jonge leeftijd werd klaargestoomd voor het presidentschap, was typisch een man van het leger – gevreesd om zijn harde opvattingen. Hij verscheen soms in vol militair ornaat op officiële recepties. Er wordt wel eens gefluisterd dat het auto-ongeluk in scène is gezet en dat Basil eigenlijk slachtoffer is van een moordpartij, gepleegd door lieden die liever niet zagen dat de nieuwe president een bijna exacte kopie van zijn voorganger zou zijn. Bashar, die op zijn 34ste president werd – iets waarvoor de minimumleeftijd voor het presidentschap in de grondwet moest worden aangepast – gold als beduidend milder dan zijn broer en vader. In de eerste maanden na zijn aantreden was er zelfs sprake van relatief grote politieke vrijheden. Overal in Damascus, en later ook in andere steden, doken zogenaamde ‘salons’ op, privéhuizen waar bijeenkomsten werden georganiseerd om politieke en sociale kwesties te bespreken. De beweging, die later werd omgedoopt tot de Damasceense Lente, kwam zelfs met een manifest waarin werd gepleit voor de opheffing van de noodtoestand, vrijlating van politieke gevangenen en het recht om politieke partijen en civiele organisaties op te richten. De Damasceense Lente was evenwel van korte duur. In de herfst van 2001 werden alle salons gedwongen te sluiten. Voorlopers van de beweging werden gevangen genomen. Sommigen zitten nog altijd vast. Er zijn analisten die van mening zijn dat Bashar in zijn beleid gehard wordt door militaire figuren om hem heen, die onder Hafiz carrière hebben gemaakt en nog altijd hoge posities bekleden binnen het leger en de veiligheidsdienst. Bashar zelf staat juist te boek als een innemend figuur – charmant, met gevoel voor humor en bijna vloeiend Engels en Frans sprekend. Buitenlandse diplomaten die Syrië bezochten, lieten zich regelmatig door hem inpalmen. ”Er is nu een andere leider in Syrië,” zei de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Hillary Clinton recentelijk, verwijzend naar het verschil met zijn vader Hafiz. ”Veel leden van het Congres die de laatste maanden naar Syrië zijn gegaan, hebben gezegd dat ze in Bashar al-Assad een hervormer zien.”


Dat is hij allerminst, bromt sjeik Mouaz al-Khatib. ”De president beweert dat het een generatie moet duren voordat er zichtbare verandering kan optreden. Moet mijn zoon dan opgroeien in voortdurende angst en met terreur? Als Assad het wil, kan hij elk jaar grote veranderingen doorvoeren. Maar hij wil het niet.” Gastvrouw Atassi, net een week vrij uit de gevangenis, beaamt: ”Het zal een lange en zware weg worden. Maar dat de protesten vanuit Dara’a naar andere steden zijn overgewaaid, stemt al tot hoop.” Deze opvatting kan, zelfs thuis, alleen na de nodige voorzorgsmaatregelen uitgesproken worden. Het raam dat op een kier staat, wordt dichtgeschoven. De gordijnen worden gesloten en er wordt geïnformeerd of iedereen zijn mobieltje uitgeschakeld heeft. ”De Mukhabarat kan via het telefoonnetwerk gesprekken afluisteren en in de gaten houden wie bij elkaar komen,” glimlacht Atassi verontschuldigend. Eind maart liep ze mee in een betoging voor vrijlating van politieke gevangenen. In plaats van dat er gehoor werd gegeven aan deze oproep, belandde Atassi zelf achter slot en grendel. Drie weken zat ze, volledig geïsoleerd, vast in een cel van zo’n zes vierkante meter. ”Er stond niet eens een bed, dus moest ik op de grond slapen,” vertelt ze. ”De airconditioning lekte zo hevig dat het leek alsof het voortdurend regende.” Ondanks deze ervaring blijft Atassi strijden voor een vrijer Syrië. Via Facebook moedigt ze de betogers aan en plaatst ze filmpjes van de opstanden die zich zo langzamerhand over het hele land uitspreiden. ”We willen vrijheid om onze mening te uiten, om zelf onze president te kiezen en politieke partijen te vormen,” vat Atassi de hartewens van de demonstranten samen. ”En dat doel willen we vreedzaam bereiken,” voegt Al-Khatib daaraan toe.


Of ze daar de kans voor krijgen, is nog maar de vraag. Niet alleen geniet Bashar al-Assad nog altijd grote populariteit onder Syriërs, ook maakt de Mukhabarat het organiseren van protestmarsen tot een bijna onmogelijke en hoe dan ook levensgevaarlijke opgave. Wordt een evenement publiekelijk aangekondigd, dan is er bij voorbaat zo veel veiligheidspersoneel aanwezig dat tegenstanders bij nader inzien liever rechtsomkeert maken. Je stem verheffen is vragen om een enkele rit naar ’s lands gevreesde gevangenissen, waarin zo’n achtduizend politieke gevangenen zijn opgesloten. Afgelopen weken zijn daar honderden mensen bij gekomen – de één aangemerkt als terrorist, de ander als spion, landverrader of journalist. Tegelijk is de regering de afgelopen weken aan een uitgebreide zelfverheerlijkingscampagne begonnen. Er hangen meer posters van de president dan ooit achter de winkelruiten, de smalle straten van de oude binnenstad zijn gedecoreerd met de Syrische driekleur en uit muziekwinkels schallen nationalistische liederen. Het centrum is in een paar weken tijd het terrein geworden van regeringsgezinden. Ze decoreren hun auto met Syrische vlaggen en gaan gewapend met posters met de afbeelding van de president de straat op om loyaliteit aan hun leider te betuigen. Twee weken geleden deden ze dat zelfs met tienduizenden tegelijk. ”Met onze zielen, met ons bloed, willen we ons leven geven voor jou, Bashar!” klonk het in het centrum. Schoolklassen trokken voorbij. Hoge stemmetjes zongen uit volle borst: “Syrië, Allah, Bashar al-Assad alleen.” Hun gezichten stonden vrolijk. De kinderen hadden, net als veel ambtenaren, een paar uurtjes vrij gekregen om het ‘hogere landsbelang’ te dienen. Vroeg je een willekeurig persoon in de mars naar zijn mening, dan barstte diegene uit in een lofzang aan de president. ”Het Syrische volk houdt van hem. Hij is onze leider, ons land.” Ze weten niet beter, zegt de Syrische journaliste Lulu. “Veel Syriërs zijn laagopgeleid en ontvankelijk voor de propaganda van de Syrische staatsmedia. Anderen zullen uit angst zeggen dat ze de president steunen en dan is er nog een groep die, hoewel hoog opgeleid, de voorkeur geeft aan vrede boven de onrust die door de anti-regeringsbetogingen ontstaat.” Haar partner Jim vraagt zich af hoe lang de protesten nog zullen voortduren. ”Mocht er niets veranderen en het geweld alleen maar toenemen, dan is de kans groot dat mensen op een gegeven moment protestmoe worden. Ik ben bang dat de situatie over twee maanden weer precies zo is zoals hij was.”


Maar wat als de protesten zich juist wel verder uitbreiden? Het meest waarschijnlijk is dat het leger en de veiligheidsdiensten steeds meer geweld zullen gebruiken om de controle te behouden. Volgens rechter Catherina Alassi, ook present in het huis van activiste Atassi, leeft het regime nog in de veronderstelling dat de onrust vanzelf ophoudt als de protesterende menigte maar hard genoeg wordt aangepakt. Toch koestert ze hoop. ”We leven nu in een heel andere tijd. Misstanden worden gedeeld op internet. Via de internationale nieuwszenders kijkt de hele wereld mee.” Mocht Assads Ba’at-partij als gevolg van de toenemende onvrede inderdaad aftreden – iets wat zelfs critici van het regime hoogst onwaarschijnlijk achten – dan is de vraag wat het alternatief is. Naar alle waarschijnlijkheid zal de soennitische meerderheid de touwtjes in handen nemen. Een schrikbeeld voor sommige alawieten, die vrezen hun bevoorrechte positie te verliezen. Christenen, die net als de alawieten zo’n tien procent van de bevolking vormen, kijken met argusogen naar de gebeurtenissen in Irak, waar hun geloofsgenoten ten prooi vallen aan kidnappingen en moordpartijen. Het Westen is vooral bang voor een streng islamitische staat, die de banden aanhaalt met als terroristisch bestempelde organisaties als de Moslimbroederschap. Of – ook een optie – een uitbraak van sektarisch geweld, waarin verschillende religieuze groepen elkaar te lijf gaan. Sjeik Mouaz al-Khatib vreest vooral dit laatste scenario. “Maar dat zou dan veroorzaakt worden door het regime zelf, dat sinds het begin van de onlusten bezig is de verschillende groeperingen tegen elkaar op te stoken. Dat is nog niet gelukt. De verschillende geloofsgroepen gaan in Syrië juist respectvol met elkaar om. In de betogingen lopen alawieten, christenen en moslims zij aan zij. Ze roepen leuzen als ‘Wij zijn één’.


Wat er in de nabije toekomst zal gebeuren, kan niemand voorspellen, beamen Jim en Lulu. Maar desondanks zijn ze somber gestemd over de strijd die nu door anti-regeringsactivisten wordt geleverd. De aanhang voor de president is simpelweg te omvangrijk en de Mukhabarat te alomtegenwoordig. ”Het voorbeeld van Egypte stemt bovendien niet erg hoopvol,” voegt Jim daar nog aan toe. ”De mensen hebben vrijheid gekregen, maar het regime is niet veranderd. Vorige week nog is er geschoten op mensen die het Tahrirplein opgingen om hun onvrede te uiten over de corruptie en macht van de militairen. Je kunt een dictatuur via een revolutie optisch wel omvormen tot democratie, maar het duurt jaren – misschien wel een heel mensenleven – voordat het systeem dat erachter zit verandert.”

Wat als de Fransen na de Eerste Wereldoorlog nooit het mandaat over Syrië hadden verkregen? Waarschijnlijk waren de Assads dan nooit aan de macht gekomen. Het waren de Fransen die de minderheden, zoals de alawitische Assads, flink bevoordeelden en hun vervolgens gebruikten om de soennitische meerderheid onder de duim te houden. Kader tekst Trade bold con>De havenplaats Latakia, gelegen in de noordelijke bergstreek waar de Assads hun thuisbasis hadden, kreeg autonomie, de alawieten kregen hoge posities in het toen nog vrij armoedige leger. Overal in Latakia en omgeving verschenen schooltjes, winkels en cafés. De wegen werden verhard. Kader tekst Trade bold con>Zo ook in Qardaha, het bergdorp waar Hafiz al-Assad woonde. Zijn vader was de enige in het dorp die kon lezen en schrijven. Hafiz (1930-2000) was zestien toen de Fransen het land uit werden geknikkerd. Hij schreef zich meteen in bij de Ba’ath-partij, geliefd bij minderheden omdat de partij behalve extreem nationalistisch (Arabische landen moesten zich verenigen in een groot islamitisch rijk) ook sociaal was. Zo moesten alle Arabieren volgens het partijstatuut gelijk worden behandeld, ongeacht hun religie, en was voor de positie van de Islam eerder een culturele dan religieuze plek gereserveerd. Kader tekst Trade bold con>De Fransen legden voor Hafiz de weg open voor een opleiding aan de militaire academie. Kader tekst Trade bold con>Hij maakte daarna nagenoeg dezelfde carrière door als zijn latere Egyptische collega Mubarak: gevechtspiloot, baas van de luchtmacht, minister van Defensie en tenslotte president.

Irene de Zwaan