In de zevende hemel

De wielerbaan van Roubaix, 364 dagen per jaar een baken van grauwe troosteloosheid, flonkert en schittert in de zon. En Jasmine Vangrieken flonkert en glittert mee. Haar vriend is zojuist als eerste over de finish gekomen. Helemaal verwacht is dat niet. Zeg maar gerust: volkomen onverwacht. Wie zijn geld op Johan Vansummeren heeft gezet, kan maandag een mooi bedrag ophalen.

Parijs-Roubaix wordt altijd verreden op de tweede zondag van april, een langzame, lome voorjaarszondag. Zo’n dag dat barbecueliefhebbers controleren of ze de kooltjes vorige winter wel goed droog hebben opgeborgen. Een zondag om met een picknickmand naar het park te gaan, en er daar achter te komen dat er nog restjes winter in de grond zitten. Een dag waarop opgewonden kinderstemmen voor het eerst weer door het open raam naar binnen waaien. Enkele honderden kilometers zuidelijker, in het niemandsland tussen Parijs en de Belgische grens, rijden op diezelfde zondag ruim tweehonderd mannen over onbegaanbare wegen. Overal tussen de weilanden in Noord-Frankrijk liggen ze, de secteurs pavés. Weggetjes die zijn geplaveid met dikke, ruwe stenen die de Vlamingen liefdevol ‘kasseien’ noemen. Keien zijn het, die na honderden jaren van verwaarlozing schots en scheef in de aarde liggen gepoot. Tussen de stenen ontluikt mos en gras. Wielrenners op de allermodernste fietsen dokkeren zich een weg naar het asfalt, naar het wegdek van de beschaving. De minder gewichtigen onder hen dansen op hun fietsjes van kei naar kei. Alles aan hen beweegt. Onder hun helmen koeken stof en gruis en modder samen tot bruingrijze gezichtsmaskers die hen onherkenbaar maken. Er zijn 27 van die secteurs in Parijs-Roubaix. Meer dan vijftig kilometer vooroorlogs keienwerk. Parijs-Roubaix is een anachronisme. Wie wint, wint vandaag een koers van gisteren.

Op 85 kilometer van de aankomst rijden de renners de hel binnen. De officiële benaming van de hel is Wallers-Arenberg. Het is een bosje aan het begin waarvan zich ooit een kolenmijn bevond. In die mijn werkte Jean Stablinski, die in de jaren vijftig zijn mijnwerkershelm inruilde voor een fietshelm en talloze koersen won. Hij wist nog wel een leuke secteur, vertelde hij aan de organisatoren van Parijs-Roubaix. De hel bestaat uit ruim twee kilometer kasseien. Halverwege die strook staat de Belgische hoop Tom Boonen. Hij prutst aan zijn trappers. “Mijne fiets is kapot,” roept hij naar een voorbijracende ploegmaat. Maar die rijdt door. To m staat ontredderd tussen zijn eigen supporters. De hoop van Vlaanderen schrompelt live ineen. Hij zal later nog een keer vallen en met stille trom uit de hel verdwijnen. Vooraan rijden Johan Vansummeren en Maarten Tjallingii. Ze rijden alsof de duivel ze op de hielen zit. De duivel, dat is een Zwitser met ongeschoren wangen en een tors als een zeewering. Zijn naam is Fabian Cancellara en de collectieve angst voor zijn bovenbenen is groter dan die voor de kasseien, of voor de afstand, of die voor de zon. De angst voor de duivel legt de renners in de hel lam. Favorieten Hushovd en Ballan vrezen de vernedering. Vansummeren en Tjallingii rijden door. Onbekenden zijn het, outsiders, helden voor één dag. Ze kalken hun eigen onbeschreven blad vol. Dan komt Jasmine Vangrieken in beeld. Het mooiste gemeenteraadslid van Lommel. Ze hoort niet thuis in de hel, met haar mouwloze shirtje en haar kuiltjeswangen. Vansummeren wint, de duivel tweede, Tjallingii derde. Op het middenstuk van de wielerbaan vallen Jasmine en Johan elkaar temidden van horden fotografen in de armen. Vegen stof van de hel plakken aan haar gezicht. Johan fluistert Jasmine wat in het oor. De kuiltjes in de wangen verdiepen zich. “Wil je met me trouwen?” Niks hel. Hemel.

import frank heinen