Meesterleugenaar

Een schrijver mag best liegen, zei A.H.J. Dautzenberg onlangs in HP/De Tijd. Of hij dus echt een nier heeft gedoneerd, zoals hij in zijn debuutroman Samaritaan beweert, is nog maar de vraag.

De zin ‘You talkin’ to me?’ moet al honderden keren zijn aangehaald, geïmiteerd en gepersifleerd, maar vermoedelijk nog nooit in een gesprek tussen een man en zijn nier. Het gesprek is een van de 33 hoofdstukken in A.H.J. Dautzenbergs Samaritaan, een roman in dialoogvorm over een man die zijn nier doneert aan een onbekende. Dat klinkt als een ongebruikelijk uitgangspunt, zeker voor een eerste roman, maar geen van de personages heeft een kraantje in haar rug of wordt in stukken gesneden, dus Dautzenberg heeft zijn fantasie deze keer keurig in bedwang gehouden.

Veel van Samaritaan is waar gebeurd, beweert Dautzenberg. Dat beweerde hij ook over zijn idiote interview met Arnon Grunberg. En hij sleet een paar compleet verzonnen interviews aan de VPRO Gids. Het is niet verstandig om hem op zijn woord te geloven, kortom – als je dat überhaupt al moet doen met schrijvers. En het is ook helemaal niet relevant of Dautzenberg echt zijn nier heeft afgestaan. Waar gebeurd of verzonnen, het doet er niet toe, zei hij een paar weken geleden zelf in een interview met HP/De Tijd: “Het verhaal moet goed zijn.” Voor een interviewer is dat een discutabele opvatting, voor een romanschrijver zou het een open deur moeten zijn.

Over zijn debuut, de ver-halenbundel Vogels met zwarte poten kun je niet vreten – pas een half jaar geleden verschenen – waren recensenten het eens: Dautzenbergs verhalen zijn vaak smerig, op het perverse af, maar hij kan schrijven. Dat laatste bevestigt hij met Samaritaan – een geslaagde, originele roman zónder de soms wat geforceerde ranzigheid van zijn verhalenbundel.

Samaritaan is een reeks dialogen tussen de naamloze hoofdpersoon en mensen in zijn omgeving. Een geliefde, familieleden, artsen, vrienden. Onder anderen. En de nier dus. Al die dialogen draaien om de niertransplantatie en de bureaucratische drama’s die daarbij komen kijken. In de zorg staat men te springen om donornieren, maar die behoefte blijkt omgekeerd evenredig aan de toegankelijkheid van het traject. De hoofdpersoon wordt doorgezaagd over zijn motieven, over zijn lichamelijke en geestelijke gezondheid, en wordt gevraagd om aan allerlei onderzoeken mee te werken, het ene nog belachelijker dan het ander. “Ik ben bezig met een promotieonderzoek naar het gebruik van steunkousen. (-) Kun je antwoord geven op een paar vragen?” Het is een van de eerste vragen na de transplantatie. De hoofdpersoon zit nog onder de morfine.


Het is verleidelijk om zulk materiaal tot een aanklacht om te smeden, een aanklacht tegen de gebureaucratiseerde samenleving in het algemeen en de onnodige complexiteit van de zorg in het bijzonder. Maar de hoofdpersoon windt zich zelden op. Hoewel hij de onzin van alle voorschriften scherp inziet, is zijn toon eerder laconiek dan verontwaardigd. Als belangstellenden vragen hoe het gaat, antwoordt hij: “Ik amuseer me eigenlijk prima.” Als hij een MRI-scan ondergaat en de ietwat wantrouwende arts vraagt of het meeviel, antwoordt hij: “Ik vond het eigen wel lekker ontspannen.” Iets verderop gebruikt hij het woord groovy.

Een minder goede schrijver dan Dautzenberg had hem op een zeepkist gezet. Dit werkt beter: je verbaast je niet alleen over de hele donorprocedure, maar ook over de geamuseerde houding van de hoofdpersoon. En je wordt aan het denken gezet. De onvoorspelbare reacties nodigen je uit om je in de situatie te verplaatsen, jezelf met de hoofdpersoon te vergelijken. Dautzenberg geeft je de ruimte om de voors en tegens tot je door te laten dringen, met als gevolg dat de boodschap juist blijft hangen.

Samaritaan is opgebouwd uit drie delen, waarvan het laatste het minst sterk is. In de eerdere delen is er een duidelijke spanningsboog voelbaar. Er wordt ergens naartoe gewerkt, zonder al te veel nadruk – het gebeurt haast automatisch bij zo’n onderwerp. Je blijft je afvragen: gaat-ie het echt doen? Zal het goed aflopen? Het laatste deel, als de operatie achter de rug is, voelt als een lang opgerekte epiloog. De belangrijkste vragen zijn beantwoord, wat overblijft zijn losse eindjes en terugblikken op situaties die we al vanuit de eerste hand hebben meegemaakt.


Na de operatie voelt de hoofdpersoon zich sterker dan ooit. Zijn altijd sluimerende doodsverlangen is weg. Hij heeft weer zin in het leven. Dat is mooi voor hem, maar voor de lezer is het iets minder interessant. ‘Fantoomfijn’ – zo omschrijft hij zijn gevoel, en hij lijkt nog trots op die weeïge woordspeling ook.

Het zijn kanttekeningen bij een vermakelijk, intelligent romandebuut dat al voor de verschijning veel aandacht kreeg. Dat is terecht. Het is alleen jammer dat die aandacht toch vooral weer gericht is op de dingen die misschien wel het minst interessant zijn aan de hele roman. Begin april mocht Dautzenberg opdraven bij Pauw & Witteman. Het gesprek ging nauwelijks over de stijl, de soepele dialogen en de originele vorm. Pauw en Witteman gingen vooral in op de onderwerpkeuze. En al vrij snel was-ie daar weer. De vraag der vragen. Was het allemaal wel echt gebeurd?

A.H.J. Dautzenberg: Samaritaan. Contact, €19,95. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

Dries Muus