Onttroond

De een is onze beste voetballer aller tijden, de ander drager van de prestigieuze Willems-Orde. Toch zijn Johan Cruijff en Marco Kroon voor veel mensen van hun voetstuk gevallen. Waarom gaan we zo genadeloos om met onze helden?

Johan Cruijff, zo valt te lezen in het jongste nummer van Voetbal International, heeft de afgelopen weken voor ‘sensationele televisie’ gezorgd. “Nadat hij vanaf een parkeerplaats bij de ArenA zijn statement had gemaakt voor de NOS-camera, deed hij het een week later nog een dunnetjes over. Cruijff maakte gebruik van de landelijke media om zijn onvrede jegens Ajax uit te spreken. De Verlosser maakte gehakt van zijn club. Zelf ontkwam Cruijff ook niet aan de onverbiddelijkheid van het beeld. Nadat hij door de NOS werd geconfronteerd met uitgelekte e-mails en notulen, registreerde de camera hoe de oude meester zichtbaar verschoot.” Het waren inderdaad sensationele beelden. Niet alleen omdat Cruijff zichtbaar verschoot, maar ook omdat er tezelfdertijd iets gebeurde met zijn imago. Iets ingrijpends zelfs. Bij nogal wat televisiekijkers vatte namelijk de indruk post dat Cruijff zich achter de schermen van Ajax had bediend van bijkans maffia-achtige intimidatiepraktijken. Klaarblijkelijk stond Cruijff op het standpunt dat het mede door hem opgestelde ‘technische plan’ ter redding van de Amsterdamse voetbalclub integraal en per direct diende te worden uitgevoerd, no matter what. In dat verband zou de voormalige Nummer 14 onder meer hebben gedreigd om zijn opponenten in de Ajax-leiding ‘kapot te schrijven’, en ook was er sprake van binnenskamer geuite spierballentaal van het kaliber ‘slikken of oprotten’. Dat Cruijff ook nog eens zou hebben gezegd – hij ontkende het later – dat assistent-trainer Danny Blind ‘niet te vertrouwen’ is en beter aan de slag zou kunnen gaan ‘bij Almere City of Ajax Cape Town’ viel al evenmin in goede aarde. Want was niet juist Blind iemand die Cruijff altijd had geprezen als de man die zijn voetbalcarrière had ‘gemaakt’ door hem in 1986 van Sparta naar Ajax te halen? En was (en is) het niet zo dat je Blind overal van kunt betichten, maar dat hij een minstens zo groot Ajax-hart heeft als zijn ontdekker?


Nauwelijks een week nadat de heldenstatus van Cruijff in het ongerede was geraakt, begon voor de militaire kamer van de rechtbank in Arnhem de inhoudelijke behandeling van de zaak tegen kapitein Marco Kroon. Kroon is, zoals we allemaal weten, niet zomaar een kapitein. Op 29 mei 2009 kreeg hij de prestigieuze Willems-Orde uitgereikt voor zijn uitzonderlijk dappere optreden als pelotonscommandant van het Korps Commandotroepen in de Afghaanse provincie Uruzgan. Kroon was de eerste militair sinds 1955 aan wie deze hoogste militaire onderscheiding werd toegekend. De NOS deed op televisie vijf kwartier lang live verslag van de uitreiking, en ook van de woorden die koningin Beatrix bij die gelegenheid sprak aan het adres van Kroon: “Hij krijgt deze onderscheiding niet voor één enkele actie, maar voor zijn optreden als leider, als militair en als mens tijdens de hele missie.” Toch kwam juist ‘de mens’ Kroon niet lang daarna in ernstige opspraak toen het Openbaar Ministerie in januari 2010 aankondigde een onderzoek naar hem te zullen instellen op verdenking van overtreding van de Opiumwet en de Wet wapens en munitie. Hij zou namelijk cocaïne, MDMA (xtc) en een stroomstaatwapen voorhanden hebben gehad in zijn café Vinny’s in het centrum van Den Bosch. Gevolg: Kroon, drager van de belangrijkste militaire onderscheiding die Nederland kent, zat vorige week letterlijk in het beklaagdenbankje. Daar kreeg hij onder meer te horen dat er cocaïnesporen waren gevonden op zijn spijkerbroek, zijn jas, in zijn auto en zelfs in zijn borstharen. Ook de cryptische telefoongesprekken met zijn vriendin over ‘iets lekkers voor vanavond’ kwamen tijdens de zitting ter sprake. Volgens Kroon hadden die uitlatingen niets met drugsgebruik te maken, maar hadden ze betrekking op zijn ‘vrij extreme seksleven’, waar ook een ‘spaarkaart bij de seksshop’ deel van uitmaakte. Het waren allemaal geen zaken die de gemiddelde Nederlander als vanzelf associeert met de ‘uitstekende daden van moed, beleid en trouw’ die sinds 1815 kunnen worden beloond met de Willems-Orde. Zoals we ook de niets of niemand ontziende putsch van Cruijff in de Arena maar moeilijk kunnen rijmen met wat hij in het verleden als voetballer voor Ajax heeft gedaan: het binnenhalen van acht landstitels, vijf KNVB-bekers, drie Europa Cups en de Wereldbeker voor clubteams.


Maar toch: er is iets merkwaardigs aan de hand met de tamelijk genadeloze wijze waarop Nederland de laatste tijd is omgegaan met het duo Cruijff en Kroon. Kennelijk zijn we maar moeilijk in staat om hun recente misstappen te relativeren in het licht van hun in het verleden verrichte heldendaden. Anders gezegd: ons vermogen om uitzonderlijke prestaties te bewonderen kan zomaar omslaan. En dan blijken we plotseling minstens zo goed in staat om die heldendaden én die misstappen samen op een weegschaal te leggen, om daarna opgelucht te concluderen dat we per saldo te maken hebben met landgenoten die eigenlijk net zo ‘gewichtig’ zijn als we onszélf vinden. Dat zou weleens een typisch Nederlands trekje kunnen zijn. Want met helden en met het bewonderen van helden hebben we in ons land van oudsher een structureel probleem. Dat probleem heeft allereerst met onze volksaard te maken. Die werd eeuwenlang gestempeld door het typisch protestantse besef dat we in de ogen van God allemaal gelijk zijn. Een heel verschil met landen die een rooms-katholieke traditie en nestgeur hebben, want daar is men juist vertrouwd met óngelijkheid: je hebt leken, priesters, bisschoppen, aartsbisschoppen en uiteindelijk de paus, en die staan in een strikt hiërarchische verhouding tot elkaar. De historische ervaringen die we in Nederland de afgelopen eeuwen beleefden, deden daar nog een schepje bovenop. Niet alleen omdat onze roemruchte ‘strijd tegen het water’ ons telkens weer deed beseffen dat ook de natuur geen onderscheid maakt tussen mensen, maar ook omdat het ons lange tijd ontbrak aan helden waarmee álle Nederlanders uit de voeten konden. Zeker, aan de Tachtigjarige Oorlog en de nasleep daarvan hielden we dierbare herinneringen over aan mensen als Piet Hein en Michiel de Ruyter. Maar in de ogen van de katholieke minderheid in Nederland – toch nog altijd zo’n 35 procent van de bevolking – waren dat typisch calvinistische helden, wier namen verbonden waren aan conflicten die er mede toe hadden geleid dat we een protestants land waren geworden. Een land ook waar ‘roomsen’ tot ver in de negentiende eeuw als tweederangs burgers golden. Om diezelfde reden kon zelfs onze Vader des Vaderlands Willem van Oranje aanvankelijk niet uitgroeien tot een nationale held. Grote reserves tegen de door hem gevestigde Oranje-traditie bestonden tot in het interbellum natuurlijk ook bij de socialisten. Als men daar helden had, waren het mannetjesputters uit eigen rode kring, zoals Ferdinand Domela Nieuwenhuis en Pieter Jelles Troelstra, die elders juist werden beschouwd als malafide onruststokers.


Een verdeeld en later ook verzuild land waren we dus, met nauwelijks historische figuren die in het in zich hadden om de religieuze en politieke scheidslijnen te overstijgen, en dan ook nog eens een natie die was gestempeld door een typisch protestantse volksaard die huiverig stond tegenover persoonsverheerlijking of alles wat daar op leek. Geen wonder dat er in onze historische genen maar weinig erfelijk materiaal zit dat ons in staat stelt om zonder veel reserves aan het bewonderen van helden te doen. Cruijff en Kroon lijken daar nu het slachtoffer van, maar laten we ons niet vergissen: ze zijn waarachtig niet de eersten. Neem Ayaan Hirsi Ali. Aanvankelijk mocht ze zich verheugen in een enorme populariteit. Ze werd alom bewonderd als een dappere en intelligente vrouw die na een jeugd in het gewelddadige Somalië heen en weer was geslingerd tussen de aantrekkingskracht van de zuivere islam en haar vrijheidsdrang, en die na haar uithuwelijking had gekozen voor haar vrijheid, lees: een bestaan in Nederland. Eerst als asielzoeker, daarna als student, uiteindelijk als Tweede Kamerlid en opinieleider in het debat over integratie, immigratie en de islam. Maar toen naar buiten kwam dat ze zich had bediend van enkele functionele leugentjes om bestwil om asiel te krijgen, kantelde het beeld. Plots werd Hirsi Ali verweten een provocateur te zijn, die de talrijke doodsbedreigingen aan haar adres zelf zou hebben uitgelokt. Want ja, intelligente en welbespraakte vluchtelingen vinden we in Nederland prachtig, zolang ze zich maar wentelen in dankbaarheid en slachtofferschap en ze zich niet boven ons nationale maaiveld proberen te verheffen. Dat Hirsi Ali uiteindelijk vertrok naar de Verenigde Staten, deed de deur helemáál dicht. Was Nederland soms niet goed en gastvrij genoeg? Nog een ander voorbeeld: Pim Fortuyn. In november 2004, ruim twee jaar na zijn gewelddadige dood, werd hij door het televisiekijkend publiek nog uitgeroepen tot ‘grootste Nederlander aller tijden’. Toen zijn volgelingen daarna in LPF-verband stug doorgingen met het te grabbel gooien van zijn nalatenschap – uiteraard zonder dat ‘professor Pim’ daar nog iets aan kon doen – begon zijn ster echter in rap tempo te dalen. Voorlopig dieptepunt: het bronzen ‘at your service’-beeld van Fortuyn dat lange tijd voor zijn Rotterdamse woning stond, zal binnenkort worden geveild. Dat er weinig gegadigden zijn, hebben we vorige week in alle kranten kunnen lezen. Tussen de regels door dampte een nauwelijks te missen hoeveelheid leedvermaak van de pagina’s: kijk eens aan, zelfs de heldenstatus van onze grootste landgenoot aller tijden is vergankelijk, en dat al negen jaar na zijn dood!


Dat soort dingen horen we graag. Zijn we weer lekker onder ons, voelen we ons weer lekker gelijk, voelen we ons weer echt (Ver)Nederlanders.

Roelof Bouwman