School als opvangcentrum

Ik heb een zwak voor optochten met fanfaremuziek. Vergeleken met de subtiliteiten van een symfonieorkest brengt de fanfare vooral simpele deuntjes ten gehore, lekker dik aangezet met koperblazers en tromgeroffel, maar gek genoeg brengt die marsmuziek altijd ontroering bij mij teweeg. Fysiek, wel te verstaan: ik krijg er een brok van in de keel. Dat heeft ook te maken met het feit dat een fanfare in beweging is (bij een immobiel harmonieorkest dat vaak al ingewikkelder muziek maakt heb ik die lichamelijke reactie minder). De muzikanten lopen netjes in de rij, heffen hun benen precies in de maat; ze gaan, dik of dun, oud of jong, groot of klein, gekleed in een uniform met kwasten. Iedereen draagt z’n steentje bij aan het totaaleffect, en aldus wordt een demonstratie van perfecte harmonie gegeven, van toegewijd samenwerken. Voor de paar minuten dat de fanfare passeert, raak ik zowaar bevangen door het idee dat de mens echt wel geneigd is tot het goede. Hoewel lid zijn van de harmonie en zingen in een koor tot de onverminderd populaire hobby’s van Nederlanders horen, wordt er in hoogopgeleide kringen vaak een beetje neergekeken op activiteiten als marcheren in de maat, precies hetzelfde doen als je buurman, een uniform dragen.

De jarenzestigassociatie tussen soldaatje spelen en fascisme mag intussen afgezwakt zijn, in deze tijd van individualisme houden mensen er niet van om de groep te laten prevaleren boven het eigen belang. Een duidelijk voorbeeld hiervan is het experiment dat volgend schooljaar van start gaat op tien basisscholen, waar ouders zelf de vakanties van hun kinderen mogen bepalen. Minister Marja van Bijsterveldt wil flexibele schoolvakanties invoeren om werkende ouders tegemoet te komen die problemen hebben met de vastliggende data en met de hoeveelheid vakantie. Kinderen hebben twaalf weken vrij per jaar en ouders maar vijf. Wat ouders eigenlijk willen, is op wintersport gaan buiten het aan schoolvakanties gekoppelde, dure hoogseizoen om. Ze willen het hele jaar door met het gezin een impulsweekje naar een zonnig oord kunnen boeken, en zij willen schoolopvang voor hun kinderen in de lange zomerperiode. Voorstelbare verlangens misschien, maar wel volslagen egocentrisch: met vakantie gaan en de kinderen naar school sturen op tijden dat het jou uitkomt. Alleen al de administratie die dit met zich meebrengt voor de school is duizeling-wekkend. De school wordt op die manier een soort dienstencentrum voor onderwijs en opvang, waar kinderen verplicht zijn tot afname van een minimum aantal lesuren tijdens door ouders te bepalen periodes.

Ouders willen de maand november op de Seychellen doorbrengen? Prima, als Menno en Carlijn maar in juli acte de présence geven om de breuken onder de knie te krijgen. Zo’n systeem lijkt op de afhaalchinees – het gaat alleen nog maar om het verkrijgen van een maaltijd die we gaan opslobberen voor onze eigen tv, en laat die restaurantambiance verder maar zitten. Toch is school meer dan een instituut voor de overheveling van kennis en een handige kinderopvang ten behoeve van werkende ouders. School is daarnaast een gemeenschap op zichzelf met eigen rituelen, routines en evenementen, waar iedereen tegelijk aan meedoet omdat dat efficiënt is en prettig voor betrokkenen. Op school leiden kinderen een zelfstandig leven zonder de adelaarsblik van hun ouders. De eerste schooldag is altijd weer bijzonder, net als de laatste trouwens, want dan begint de vakantie. Wanneer school ge-privatiseerd en geïndividualiseerd wordt, doorloopt elk kind zijn eigen parcours zonder vaste mijlpalen waar alle klasgenoten aan deelnemen. Het sociale weefsel van een school wordt aan flarden gescheurd als leerlingen naar de willekeur van ouders kunnen in- en uitlopen. Flexibilisering leidt tot chaos en eenzaamheid. Zonder uniformiteit is geen harmonie mogelijk.

import beatrijs ritsema