Alwéér de Rode Jeugd?

Politieke geschiedschrijving is in Nederland soms een raar bedrijf. Zo bestond er tot 2008 geen goed boek over de geschiedenis van de Christelijk-Historische Unie, een middelgrote politieke partij die ruim zeventig jaar heeft bestaan (van 1908 tot 1980), bijna voortdurend in de regering zat en van twee kabinetten de premier leverde.

Vergelijk dat eens met de Rode Jeugd, een links-extremistische, op het China van Mao Tse-toeng georiënteerde jongerenorganisatie die slechts negen jaar bestond (van 1966 tot 1974) en nooit meer dan honderd leden telde. De geschiedenis van deze kortstondig actieve miniclub werd in 1988 voor het eerst in boekvorm opgetekend door de journalisten Frans Dekkers en Daan Dijksman. Daarna speelde de Rode Jeugd een hoofdrol in de in 2004 verschenen memoires van oud-BVD’er Frits Hoekstra, en vervolgens publiceerde historicus Maarten van Riel in 2010 het boek Zaterdagmiddagrevolutie – Portret van de Rode Jeugd. Een beetje overkill, denk je dan.

Toch is er nu opnieuw een boek verschenen waarin de Rode Jeugd een zeer prominente rol speelt: De Groep IJzerman – Hoe de politie infiltreerde in de links-radicale beweging van de jaren zestig van Guus Meershoek, universitair docent maatschappelijke veiligheidszorg aan de Universiteit Twente. ‘Erger’ nog, zo op het eerste oog: Meershoek schrijft vooral over de afdeling Amsterdam van de Rode Jeugd en laat zijn verhaal eindigen juist op het moment dat de organisatie, begin jaren zeventig, in terroristisch vaarwater belandt en enkele leden in het geniep afreizen naar een militair trainingskamp in Jemen, om daar te worden geschoold in guerrillatechnieken.

Dat Meershoek deze boeiende episode onbesproken laat, heeft te maken met zijn invalshoek. Want hoe vaak de Rode Jeugd en haar imposante hoofdstedelijke boegbeeld Willem Oskam ook worden genoemd, het draait in De Groep IJzerman om de gelijknamige politie-eenheid die tussen 1966 en 1971 informatie probeerde te vergaren in kringen van Amsterdamse links-radicale jongeren. Vier (later zeven) agenten gingen zich met dit werk bezighouden, kort nadat de hermandad in 1966 openlijk in z’n hemd was komen te staan bij de ordeverstoringen op de trouwdag van Beatrix en daarna bij het ‘bouwvakkersoproer’, waarbij de redactieburelen van De Telegraaf werden bestormd.


Met veel gevoel voor detail beschrijft Meershoek hoe de Groep IJzerman gaandeweg zeer riskant inlichtingenwerk ging doen en door middel van infiltratietechnieken wist door te dringen tot de leiding van de Amsterdamse Rode Jeugd, in kringen van de Kabouterbeweging van Roel van Duijn, en zelfs bij de onder aanvoering van Hans Kombrink opererende ‘Federatie van Jongerengroepen in de PvdA’. Netto resultaat, zo weet Meershoek aannemelijk te maken: de jaren 1967 en 1968 verliepen in Amsterdam relatief rustig, anders dan in bijvoorbeeld Berlijn en Parijs. Nog meer vakwerk: ook bij de roemruchte bezetting van het Maagdenhuis, in 1969, zat de Groep IJzerman op de eerste rang. Om precies te zijn op een bovenetage van het pand van waaruit de meldkamer van de politie, zo onthult Meershoek, telefonisch van alle ontwikkelingen op de hoogte werd gehouden.

Roelof Bouwman

Guus Meershoek:

De Groep IJzerman. Boom, €19,90. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

Sonny Boy (1) – Annejet van der Zijl

Het familieportret (2) – Jenna Blum

Wij zijn ons brein (3) – Dick Swaab

Echte vrienden (7) – Stine Jensen

Goede woede (5) – Youp van ’t Hek

Holleeder – De jonge jaren (4) – Auke Kok

Eten, bidden, beminnen (6) – Elizabeth Gilbert

Het pauperparadijs (8) – Suzanna Jansen

Dromen, durven, doen (9) – Ben Tiggelaar

Het kind en ik (re) – Hans van Mierlo

import non fictie