Een goed gesprek met Paul Haenen/Henk Krol & Peter Faber

Peter Faber (67) is een acteur die niet alleen in het acteren gelooft en dat met overgave doet, maar ook het leven buiten het toneel met volle teugen tot zich neemt. Ik spreek hem in café-restaurant De IJkantine, in Amsterdam-Noord, waar hij zijn jeugd doorbracht en nog steeds graag vertoeft. Zo heeft hij er zijn eigen theater, Theaterstudio Zonneplein. Hij speelt er zijn stukken en geeft workshops. De IJkantine was vroeger de kantine van de NDSM-werf. Ooit werkte zijn vader daar.

In welke fase van je leven zit je nu?

“Weer een heel nieuw begin. En een nieuw huis! Ik verhuis zo’n beetje om de tweeënhalf jaar en nu heb ik een huis, zo mooi, zo groot, en alles op begane grond. Een plafond van vier meter hoog, 145 vierkante meter oppervlak, geen trappen en een woonkamer van 82 vierkante meter. Mijn ogen vieren feest in dat huis, en ikzelf ook. En overal vloerverwarming.”

Waarom verhuis je om de tweeënhalf jaar?

“In alle huwelijken die ik gehad heb, dat zijn er vier, ben ik altijd om de twee, tweeënhalf jaar verhuisd. Soms dacht ik: hé, dit is een leuke school voor de kinderen. Of: hé, dat is een leuke omgeving. Of: hé, dit is een mooie plek. Waar ik mijn voeten zet, ben ik thuis. Over de hele wereld heb ik dat. Ik voel me heel snel thuis.”

Geen heimwee naar vroegere woningen of vroegere vrouwen?

“Nee. Maar ik vergeet ze nooit. En ze leven met me mee. Heb ik ook met mensen die dood zijn. Ik kan het niet uitleggen, maar voor mij zijn ze niet dood. Ik zie ze haarscherp voor me: hoe ik ze voor het eerst zag, hoe ik ze ontmoette, hoe ik met ze gewerkt heb. Zolang ik leef, zijn die bij me.”

Wanneer ben je voor het eerst getrouwd?

“Toen ik twintig was.”

Met wie was dat?

“Dat is een pijnlijk onderwerp, want die vrouw is nog steeds boos op me. Elke keer als ik haar noem, wordt mijn oudste zoon gebeld. Dan is ze kwaad op hem. Ik vond het een heel leuk meisje, mooi handschrift ook, maar we pasten niet bij elkaar.”

Hoe lang heeft dat huwelijk geduurd ?

“Een jaar.”

En hoe lang duurde het tweede?

“Daarna kwam Shireen (Stroker, PH) en met haar heb ik nog steeds contact. Daar ben ik, met onderbrekingen, wel acht, negen jaar mee geweest. Het begint bij mij altijd heel romantisch. Als iemand aardig voor me is, val ik als een blok. Dan zeg ik meteen ‘ja’. Dat is een soort asielgedrag. Daar geef ik echt alles voor. Dan ben ik helemaal paraat, bereid en onvermoeibaar. Na verloop van tijd sluipt er dan iets in wat ik verborgen houd, buiten schot. Ik ben iemand die in avonturenland komt en dan vergeet dat hij zelf ook iemand is. Ik ben alleen maar met dat avontuur bezig.”


Op welk moment merk je dat je iets buiten schot houdt?

“Dat ik tijdens een verhouding al van binnen een beetje afscheid aan het nemen ben. Niet met zo veel woorden, maar ik krijg wel de drang om weg te gaan. Onbestemd weg. En als ik dan uiteindelijk ga, kan ik niet meer uitleggen waarom. Ik kan er niet meer over praten. Ik ben dan heel radicaal, ik moet weg. Terugdraaien kan ik het ook niet meer.”

Hoe reageert de vrouw dan?

“Wanhopig. Want ik ben onbereikbaar geworden.”

Twijfel je dan ook aan jezelf?

“Nee.”

Voor de partner ben je onvoorspelbaar.

“Die schrikken zich het lazarus.”

Je bent een hartelijke man, een open boek eigenlijk.

“En dat is absoluut niet waar. Geen mens is een open boek.”

De één heeft wel meer uitstraling dan de ander.

“Mensen denken altijd dat ik enorm optimistisch ben, mijn BV heet ook De Optimist, maar ik ben helemaal niet optimistisch. Mensen denken: die Faber, die is altijd zo vrolijk. Ik ben helemaal niet vrolijk. Maar ik heb wel altijd zin om te leven, om het simpel te zeggen.”

Is het dan niet moeilijk, als je dat vrolijke image hebt, om tegen een vrouw te zeggen: “Het is voorbij”?

“Ik geloof niet dat ik ooit gezegd heb, ‘het is voorbij’.”

Wat dan?

“Ik ga weg. En dan was het huilen. Variërend van weinig huilen tot heel veel.”

Hoe lang doe je er over om te zeggen: ik ga weg?

“Steeds korter. Alle huwelijken en relaties werden steeds korter. Ik had het steeds eerder door. Het is zelfs zo geweest dat ik naar iemand toe ging, iemand met wie ik was, en terwijl ik naar haar toe reed dacht: stoppen. We zouden ’s avonds lekker gaan eten, en op een parkeerplaats stopte ik toen even. Ik had geen zin om er naartoe te gaan, maar ik dacht: niet aanstellen, kom op, erheen. En ik kom aan, sta bij de deur, doe de sleutel in het slot, hoor nog leuke muziek binnen, zingen… En ik haal de sleutel uit het slot, stap in mijn auto en rijd terug naar huis. Ik bel op en zeg: ik kom niet meer bij je binnen, het is klaar. Later ben ik teruggegaan om te zeggen dat ik het niet uit kon leggen, maar dat het niet klopte tussen ons.”


Je past je niet aan.

“Misschien dat ik daarom zo levenslustig overkom. Ik heb geen opvoeding gehad, geen morele standaarden meegekregen. Ik ben een doe-het-zelver. Ik heb een intuïtief gevoel voor veiligheid, voor gezondheid, van: hier moet ik nu weg. Ik heb een sterke intuïtie, nog steeds. Als ik te veel aan het drinken ben, moet ik stoppen met drinken. Met roken: dan moet ik stoppen met roken. Als ik te lang achter de computer zit, moet ik lopen. Als ik een lang gesprek heb, moet ik weer een paar uur stil zijn. Waarom is het met Suzanne, met wie ik nu ben, zo goed? Om het eenvoudig te zeggen: zonder dat het uit de hand loopt, kunnen we knallende ruzie maken en dan zegt ze, en dat raakt me diep in mijn ziel: ‘Ik wil je nooit kwijt.’ We maken elkaar niet kapot en we verstikken elkaar niet, waardoor we een enorme ruimte hebben.”

Je durft ruzie te maken.

“Ja – vroeger niet. Vroeger dacht je, als je zo’n explosieve ruzie had: we horen niet bij elkaar. Maar nu kan het wel. Ik ben er nu pas aan toe. Ruzie is voor mij killing power. Ik maak niet iemand dood, maar het lijkt er wel op. Als ik ruzie heb, is het meedogenloos. Mijn vrouw zegt dat ik in die zin toch een beetje een natuurmens gebleven ben.”

Ben je streng opgevoed?

“Streng niet, maar voor mij wel vaak onbegrijpelijk. Als je thuis kwam, was het béng, en dan wist je: o, ik heb zeker wat verkeerd gedaan. Maar ik wist helemaal niet wat, waarom die straf was. Daarna was je opgelucht dat de straf voorbij was. Ik was onverbeterlijk. Een repeterende breuk en altijd moeite met politie, onderwijzers, de hele volwassen wereld. Behalve de volwassenen waar ik wat mee mocht doen. De melkboer helpen bijvoorbeeld. De volwassenen waar ik mee werkte, waren gek op me. Ik was onvermoeibaar. Zocht het gevaar ook op. Ik heb de natuurlijke drive om iets te doen wat ik nog nooit eerder gedaan heb.”


Als kind al?

“Ja. Kun je daar wel of niet doorheen? Kun je daar wel of niet op klimmen? Kun je die lamp van die lantaarnpaal uitgooien of niet? Ik heb ook wel over het IJ gezwommen. Tussen de zeeschepen door. Of je ging aan een rijnaak hangen en liet je meeslepen. Ik wilde altijd alles meteen proberen. Zou je die auto kunnen starten of niet? Met draadjes tegen elkaar en bóem! de auto schiet naar voren. Dus ik kwam altijd in botsing met de mensen die bezittingen hadden waar ik wat mee deed. Om dat maar netjes te zeggen. En dat leidde tot straf thuis. Ik werd veel geslagen, op een redeloze manier. Als mijn moeder begon te slaan, kon ze niet stoppen. Daarna maakte ze het weer goed, werd ik weer getroost.”

Hoe lang duurde dat slaan?

“Dat was een heel ritueel. Het begon met een klapje, en dan nog een klapje. En daarna met een pollepel of een stofzuigerslang. Kleerhangertjes en andere voorwerpen, en dat ging dan door het hele huis heen. Wanneer je je in de wc opsloot, trok ze de deur met haakje en al open. Daarna had ze spijt. Dan werd ik getroost.”

Sloeg je vader ook?

“Ja, maar die gaf één klap en dan was het ook afgelopen.”

Heb jij je kinderen nooit geslagen?

“Nee, wel op hun kont en zo. En ik heb interieurs vernield, maar nooit mensen.”

Wat voor interieurs heb je dan vernield?

“Nou, als ik ruzie kreeg. Ik speelde in One Flew Over the Cuckoo’s Nest en ik had een groot probleem met de bewerking van het stuk. Ik vond dat al het leven uit het stuk was gehaald. De regisseuse was het daar niet mee eens. Ik dacht: misschien wordt het wel duidelijk met het repeteren en heb ik me vergist. Maar na twee weken repeteren zei ik: ‘Dit is niet goed.’ Ineens werd ik woedend en maakte het hele decor totaal kapot. Andere spelers huilen. Het duurde een kwartier, twintig minuten, het ging maar door. De regisseuse wilde weggaan. Ik zei: ‘Jij blijft! En nou gaan we kijken hoe we verdergaan.’ Ik ging verder met repeteren, zij huilen. Dan worden mensen heel bang. Heel veel mensen waren bang voor mij omdat de woede ineens komt. Maar bij mij is het daarna meteen weer over.”


Wel irritant voor jezelf.

“Nee, want ik had geen beschaafde opvoeding. Voor mij hoort geweld er een beetje bij.”

Fijn dat je nooit doorschiet naar totale krankzinnigheid.

“Nee, het is heel duidelijk. Het is geen delirium. Het is absolute killing power om iets te doorbreken wat je leefgevoel aantast.”

Het is haast een geestelijk overgeven.

“Ja, en ik vind het niet eng. Mensen die weleens een ruzie van me hebben meegemaakt, denken: dit is een soort tsunami. Ze vinden het erg, maar dat is het helemaal niet. Het is geldig. Net als lachen: het één hoort bij het ander. Het komt allemaal uit dezelfde bron. Ik heb er lang over gedaan om in de fase te komen waarin ik nu ben. Ik kom thuis bij mezelf. Net of ik dat nooit ben geweest, altijd in de wereld van de ander ben gestapt. Dat is voor mijn werk heel makkelijk. Met een film meedoen, met een toneelstuk meedoen, met de mensen meedoen, met een huis bouwen, met projecten. In de wereld stappen van de ander. Dan neem ik alles mee wat ik aan vaardigheden heb. Maar ik ben nooit in de wereld gestapt die ik zelf ben. Mijn woede, mijn liefde, mijn angst, mijn janken, mijn geiligheid, mijn domheid, mijn gluiperigheid, mijn jaloezie. Altijd de held. Ik stap altijd als held het avontuur in. En nu stap ik de wereld in die ik zelf ben.”

De IJkantine is prachtig gelegen, op de plek van de vroegere NDSM-werf. Makkelijk met de pont bereikbaar vanaf Amsterdam Centraal. Uit het station de meest linkse pont en dan tien minuten zorgeloos en gratis varen. Geniet van de ruimte en geniet van het uitzicht. Peter Faber koos als lunchgerecht een goed gevulde salade en ik genoot van twee witte boterhammen met twee heerlijke kroketten. Door weinig te eten konden we veel praten.

import aan tafel