Lenie ’t Hart

Lenie ’t Hart (Farmsum, 1941) is dierenactiviste. Na veertig jaar stopt ze als directeur van de zeehondencrèche in Pieterburen.

Wat is uw huidige gemoedstoestand?

Strijdvaardig. Ik stop als directeur, maar ga nu dingen aanpakken die ik nog niet heb kunnen verwezenlijken, zoals goede fondsenwerving. Daar heb ik verschrikkelijk veel zin an.

Wie zijn uw helden?

Mijn vrijwilligers. Die mensen staan dag en nacht klaar om in de auto te springen en zeehonden te redden, maakt niet uit hoe laat het is.

Aan wie ergert u zich?

Aan iedereen die zomaar wat doet. Aan mensen die zomaar wat roepen, zonder kennis van zaken.

Lijkt u op uw vader?

Nee. Ik lijk op mijn opoe. Zij was baker – kraamverzorgster heet dat nu – en bemoeide zich overal mee. Dat zorgende en bemoeizuchtige heb ik van haar. Ik ben een vreselijke bemoeial.

Waar schaamt u zich voor?

Nergens voor. Ik heb dingen verkeerd gedaan, klopt. Maar ik heb het niet met opzet gedaan, dus ik ga me er niet voor schamen.

Wat zijn uw dagdromen?

Daar heb ik geen tijd voor, hoor. Ik ben altijd in de realiteit.

Wat is uw grootste angst?

Onverschilligheid. Dat kinderen meekrijgen dat het de natuur is als je een dier in nood laat verrekken. Daar vecht ik voor, dat dat niet gaat gebeuren.

Bidt u weleens?

Nee. Maar ik vind wel dat iedereen de Bijbel moet lezen, want er staat veel geschiedenis in.

Heeft u ooit een mystieke ervaring gehad?

Nee hoor. Dat past er niet bij.

Bent u aantrekkelijk?

Ik ben zoals ik ben en daar kan ik verder niets aan doen.

Wat is uw definitie van geluk?

Vrijheid en onafhankelijkheid.

Bent u monogaam?

Ja. Maar ik maak me er niet druk over als anderen dat niet zijn. Ik heb hier vrijwilligers gehad die zeiden: wij hebben een ménage à trois. Mij best. Het waren goede vrijwilligers.


Wanneer heeft u voor het laatst gehuild?

In januari, toen mijn Iraanse dierenarts Mostafa bij een auto-ongeluk om het leven kwam. Een vreselijk drama. Hij was 28 en zou mij opvolgen.

Hoe moedig bent u?

Ik aarzel geen moment om in te grijpen als ik zie dat mensen elkaar of dieren wat aandoen. Mijn man zegt dan altijd: “Je krijgt nog eens een vreselijke klap op je kop, Lenie.”

Van wie heeft u het meest geleerd?

Van de deskundigen die ik om raad heb gevraagd. Als ik iets niet weet, vraag ik het altijd aan mensen die alles over dat onderwerp weten. Dan krijg je de beste lessen. Ik heb gehoord dat de koningin dat ook doet. Daarom weet zij zo veel.

Wat is uw grootste ondeugd?

Ik ben een vreselijke flapuit. Daar moet je mee uitkijken, want je komt iedereen twee keer tegen. Zo heb ik aan Gerda Verburg (oud-minister van Landbouw – red.) gevraagd of die witte lok echt was. Dat is nooit meer goedgekomen.

Wanneer was u het gelukkigst?

Ik ben eigenlijk altijd wel blij.

Welke eigenschap waardeert u in een vrouw?

Positief denken.

Welke eigenschap waardeert u in een man?

Hetzelfde. Maar mannen hebben hun ego tegen. Ze hebben het zo veel moeilijker, want ze moeten zich altijd zo waarmaken. Dat vind ik zielig.

Als u iets aan uzelf kon veranderen, wat zou dat dan zijn?

Ik denk niet dat ik op mijn 69ste nog moet veranderen.

Hoe ontspant u zich?

Door gewoon even over de dijk heen te kijken. Dan zie ik de zeehonden liggen en dat geeft ontspanning. Want die liggen er echt lui bij, hoor.

Wie is uw grootste liefde?


De zeehonden.

Van wie houdt u het meest?

Mijn man en mijn zoon.

Wat beschouwt u als uw grootste mislukking?

De Stichting Van Klooster wilde de zeehondencrèche indertijd geld geven, maar heeft zich teruggetrokken omdat men er geen vertrouwen in had. Dat neem ik mezelf nog elke dag kwalijk.

Gelooft u in God?

Nee, maar als mensen wél geloven en daar gelukkig van worden, dan ben ik gelukkig met hen. Toch ben ik blij dat ik niet geloof, want ik kan van iedereen houden. Ik word niet belemmerd door een geloof.

Waaraan bent u het meeste gehecht?

Ik hecht me niet aan dingen. Dat heb ik niet geleerd van mijn ouders. Als kind was ik ook nooit in huis. Ik was altijd buiten, bij de dijk of visjes vangen. Ik was altijd op mezelf, en dat ben ik nog steeds.

Wat is de beste plek om te wonen?

Waar ik nu woon, in Groningen, aan de Eems, vlak bij de zeehonden. Het is de leegte. Ik kan niet tegen bos. Bomen, daar kijk je tegenaan. Ik wil er voorbíj kijken.

Wie hoopt u nooit meer terug te zien?

Dat heb ik niet. Ik vergeet snel.

Hoe is ongeluk te vermijden?

Niet. Maar je kunt wel positief denken, en dat heb ik van mijn moeder geleerd. Als er bij ons thuis een schoteltje kapotviel, zei zij: “Nu hebben we mooie diggeltjes om mee te spelen.”

Wat is uw devies?

Nait soezen. Dat is Gronings voor ‘niet zeuren’.

Volgende week:

Job Gosschalk

Renate van der Zee