Ik wíl geen vrienden!

Ze bestaan, mensen die helemaal geen vrienden hebben. Die vriendschap een overschatte relatievorm vinden. En die toch best gelukkig door het leven gaan. Een bekentenis.

Onlangs hing er een meneer aan de telefoon, die beweerde in het jaar 1976/1977 met mij in de klas op de middelbare school te hebben gezeten. Even dacht ik aan een grap, maar het was de man, wiens naam me helemaal niets zei, hoorbaar ernst. Er kwam een reünie, voor het eerst sinds we de school hadden verlaten en groots opgezet, en of ik ook wilde komen. Ik was een beetje overrompeld en kletste me eruit: dat hij de uitnodiging beslist moest opsturen en dat ik mijn best zou doen om te komen maar dat ik wegens drukte op mijn werk geen spijkerharde garanties kon geven. De man nam daar geen genoegen mee. Of ik, zo vroeg hij, dan geen behoefte had om mijn oude vrienden nog eens terug te zien, te kijken wat er van hen was terechtgekomen? Het duurde even voordat de man zich erbij neerlegde dat hij met mij een kansloze strijd streed, en uiteindelijk namen we aarzelend afscheid na mijn laffe toezegging dat ik heus zou proberen om te komen. Mijn vrouw had het gesprek op de achtergrond gevolgd en verkneukelde zich al plaatsvervangend voor wat mij te wachten stond. Maar ik moest haar afkappen en stelde dat ik niet zou gaan omdat ik geen enkele interesse had en dat ik me niet kon heugen dierbare vrienden aan die tijd te hebben overgehouden. Het gesprek kantelde toen mijn vrouw opmerkte dat het sowieso met de omvang van mijn vriendenclub niet bepaald overhoudt. Daarop riep ik wellicht net iets te opgetogen uit dat ik thans, op 53-jarige leeftijd, zelfs helemaal geen vrienden meer heb. “Mocht ik onverhoopt spoedig komen te overlijden,” voegde ik eraan toe, “dan wordt het zeer rustig op de begrafenis, schat.”
Ze kon er niet om lachen. De vraag die zij en nadien een bezorgde collega zich stelden, was of ik wellicht iets mankeerde: was ik autistisch aan het worden, leed ik aan het syndroom van Asperger? Op internet las ik dat zulke patiënten onder andere moeite hebben met het ‘lezen’ van sociale situaties, gebrek aan inlevingsvermogen hebben, moeite met veranderingen, een neiging tot vaste gewoonten, een voorkeur voor bezigheden en interesses met sterk herhalende of systematische elementen en een neiging tot obsessief gedrag.

Lees het gehele artikel in de HP/De Tijd van deze week.

Frans van Deijl