Een goed gesprek met Paul Haenen/Henk Krol & Frédérique Spigt

In welke levensfase zit je?

“In de laatste. Ik weet eigenlijk niet hoeveel levensfases er zijn. Je bent een baby, een kleuter, dan kom je in de puberteit, de adolescentie en daarna de volwassen en middelbare leeftijd. Ik zit al op de glijbaan.”

Hoe oud ben je dan?

“Vierenvijftig.”

Dat is toch niet de laatste fase, dat is de middenfase.

“Ja? Zit ik nog niet in de laatste, denk je?”

Nee.

“Ik heb het gevoel van wel. Dat komt natuurlijk doordat ik in de overgang zit. Je hormonen veranderen.”

Hoe merk je dat?

“Dat ik niet meer menstrueer, al twee jaar niet.”

Merk je dat ook emotioneel?

“Ja, zeker. Misschien heeft het er wel niks mee te maken, maar ik ben me altijd heel erg bewust van mijn sterfelijkheid. Het kan zo gauw afgelopen zijn. En ik ben over de vijftig, dus over de helft. Ja, er zijn er een paar die honderd worden. Maar dat moet je niet willen. Het is toch een beetje klaar.”

Op welk moment besef je dat?

“Dat dringt met regelmaat tot me door.”

Als je ’s ochtends wakker wordt?

“Nou, niet zo. Nou, ja, ook wel, ja. Eigenlijk is het iets wat er altijd is. Het is best wel vervelend, denk ik nu inenen. Er verandert ook zo veel. Eerst ben je onbezonnen en doe je alles gewoon en nu overweeg je alles, ben je calculerender. Het is niet zo onbezonnen meer, je mist een soort vrijheid.”

Mis je dat onbezonnene ook in de liefde?

“Nou ja, ik probeer altijd heel trouw te zijn aan degene met wie ik ben.”

Maar dat lukt niet altijd?

‘Nou, dat lukt zo om en nabij de acht jaar. En daar zit ik nu. Maar ik wil nou ook wel eens een keer doorzetten, en de ander wil ook doorzetten, al heeft dat natuurlijk ook iets saais. Zie je, dat is calculatie. Vroeger, als het niet meer ging, dacht je: dan gaan we toch uit elkaar. Maar nu is het: hoe lossen we het op, want uit elkaar is geen optie.”


Jouw vriendin heeft hetzelfde?

“Die is twintig jaar jonger dan ik, dus die heeft daar misschien andere gedachten over, maar dat weet ik eigenlijk niet zeker.”

Daar praten jullie niet over?

“Nee, we zien wel. Ik bedoel, je kunt het ook niet allemaal uitspinnen van tevoren, dat is het leven. Maar ik realiseer me dat allemaal wel. En ik realiseer me ook, juist omdat ze twintig jaar jonger is, dat ik zelf verander. Vroeger sprong ik gewoon in een vat drank en liet ik me wegvoeren naar waar het gezellig was. Maar dat doe ik allemaal niet meer. Ik ben toch verzadigder geworden. Past bij mijn leeftijd, denk ik.”

Je wilt je vriendin behouden en daarom ga je zorgvuldiger met haar om.

“Ja, maar je kan ook denken dat ze het leuk vond dat ik zo’n wildebras was. En nu denkt ze: het is een oude taart. Zou het niet?”

Je bent toch geen oude taart?

“Als ik op tournee ben, heb ik het hartstikke zwaar, en dan ben ik thuis niet echt energiek. Wel lief en gezellig, maar niet energiek. En dat kan dan weleens ervaren worden als zijnde oude taart. Ik zou iemand van mijn eigen leeftijd moeten nemen, misschien.”

Heb je altijd jonger gehad?

“Niet altijd, nee. Maar naarmate ik ouder werd, merkte ik wel dat het jong bleef, zeg maar.”

Op welke leeftijd werd je verliefd op een meisje?

“Zestien, misschien wel vijftien. Ik had het helemaal niet door, want ik was daar niet mee opgevoed. Mijn moeder had allemaal wilde trouwplannen voor me. Met heel rijke mannen. Ach, had ik maar naar haar geluisterd.”

Wie was dat meisje waar je verliefd op werd?

“Het was een vriendin van een vriendin en die zei: ga mee. Zijn we bij haar spelletjes gaan doen. Maar ik geloof niet dat ik me ervan bewust was dat dat ik verliefd op haar was. Ik vond haar gewoon geweldig en lief. Toen kreeg ik wel te maken met die indeling, want de omgeving vroeg zich af waarom we altijd bij elkaar waren, en dan zei ik dat ik het fijn vond bij haar. Maar dat mocht eigenlijk niet, dat was subversief. Ja, bizar eigenlijk, hè? Ik vind het allemaal zo organisch. Heel gek dat mensen het allemaal raar vinden. Heel gek. Maar ik vind het bijvoorbeeld ook heel gek dat iedereen maar gewoon kinderen neemt. Dan zeggen ze: ja, maar dat is de natuur, en dan denk ik: daar kunnen we toch allang niet meer van spreken in deze tijd? Wat is nou de natuur? Iedereen gaat er maar van uit dat hij één keer in zijn leven een kind neemt, maar dat vind ik iets absurdistisch hebben. Hé, denk je dat het goed gaat, het gesprek?”


Ik denk het wel, we hebben al een paar goede onderwerpen te pakken: liefde, twijfel en de overgang.

“Dat is heel erg hip, hè, de overgang.”

Bij mannen gaat het wat flexibeler.

“Die hebben meer een midlife, hè? Volgens mij heb ik het allebei. Het gaat ook gepaard met onzekerheid. Het is eigenlijk een soort puberteit die zich herhaalt. Ik vind het niet makkelijk, het overleven. Het bestaan.”

Ook onzekerheid over je werk?

“Over alles. Echt alles. Twijfelen. En calculeren, wat ik al eerder zei. Dat je denkt: zal ik dat nou zo doen of kan ik het beter zo doen? Vroeger deed je het gewoon, je sprong er middenin. Nu is het allemaal denken. En bang zijn dat je het verkeerd doet. Terwijl ik altijd heb geroepen: wat een onzin, wat een stom leven als je geen fouten mag maken. Ik vind het heel erg als mensen geen fouten mogen maken. Ook in de media. Als je iets verkeerds hebt gezegd, meteen paf paf, je kop eraf. Verschrikkelijk. Politici durven ook niks meer te zeggen. Die kauwen na wat ze van hun spindoctors hebben gehoord. Ze zeggen niks meer. Er zit geen hart meer in. Het zijn gewoon robotten. Dat is niet best.”

We zitten hier in een bijzonder prettig restaurant. Ga je vaak uit eten of kook je liever zelf?

“Als ik alleen thuis ben, doe ik niet zo veel moeite, maar voor haar kan ik heerlijk koken, dat vind ik hartstikke leuk.”

En daar geniet ze ook van?

‘Daar geniet ze heel erg van. Dat is wel belangrijk, dat je dat samen deelt. En voor vrienden koken vind ik ook fijn, en dan heb je ook de rust.”

Aan de andere kant heb je door al die optredens een heel hectisch leven. Je moet toch zorgen dat je aan de top blijft.


“Aan de top, daar zit ik niet eens.”

Jawel, je zit wel aan de top.

‘Nou ja, ik ben wel een zonderling misschien. Ik vind het wel moeilijk om het vol te houden, moet ik zeggen.”

Op welk moment is het moeilijk?

“Nou, bijvoorbeeld als je aan het tanken bent, bij zo’n pinpaspomp. En hij stopt ineens omdat je saldotekort hebt. Dan denk ik: gedverderrie. Dat is nu voor het eerst in jaren gebeurd. Nou heb ik ook een paar dingen niet helemaal goed gedaan, hoor.”

Tijdens het tanken stopt hij?

“Je stopt die pas erin en hij stopt zodra je saldo op is.”

Had je nog wel een beetje benzine?

“Voor zes euro. Toen kreeg ik de tranen in m’n ogen en dacht ik: verdomme, moet dit nou zo? Ik weet ook waar het aan ligt hoor, theaters betalen laat. Maar sommige mensen denken dat je op een soort dik varken zit dat je elk moment kan aanboren, maar dat is niet zo. Ik besta echt van wat ik doe.”

Waar ben je nu mee bezig, bijvoorbeeld?

“Ik zit nu midden in een tournee, en als die klaar is, begin ik iets nieuws. Ik kom eigenlijk uit de rock-‘n-roll, Engelstalig. Daarna ben ik Nederlandstalig gaan zingen en schrijven, vervolgens ben ik naar het chanson toe gekropen en nu ben ik daar weer klaar mee. Ik ben, zoals dat heet, ‘uitgeBrelt’. Ik ga een heel andere wending nemen, omdat ik het zelf nodig heb. Iedereen zegt dat ik stom ben, want dat ik een enorm publiek heb opgebouwd, maar als ik het niet meer met hart en ziel kan doen, houdt het voor mij op. Er zijn mensen, die zingen heel hun leven lang één lied. Omdat ze daar bekend mee zijn geworden. Nou, dat kan ik niet, daar krijg ik dunne poep van. Al kan je dan wel beter tanken. Ja, je ziet, het is niet handig. Ik word vaak gevraagd om een lied te komen zingen op iemands begrafenis.”


Doe je dat dan?

“Nee, bijna nooit.”

Waarom niet?

“Nou, dan wordt mijn leven zo droevig.”

Welk lied willen ze dan horen?

“Ga maar vast vooruit, dat gaat over mijn moeder. Als ik dat zing, denk ik ook altijd weer aan mijn moeder. Mijn moeder heeft een heel nare tijd gehad. Ach, eigenlijk is dat beyond words. Zij is in een soort catatonische houding terechtgekomen, waardoor ze niet meer kon bewegen en niet meer kon spreken. En in die houding heeft ze zo’n vierenhalf jaar gelegen. Als in een sarcofaag. Dat is een verschrikking geweest.”

Ze kon daar niet meer uit?

“Nee, daar kon ze niet uit. Ze wisten ook niet precies wat het was. Ze had parkinson, en er kwam een soort stijfheid in haar, dat gebeurde in misschien drie weken. Zo heeft ze dus vierenhalf jaar geleefd. Dat is vreselijk, gruwelijk. Ze zat in een verpleeghuis en ik ging daar drie keer in de week naartoe. We voerden haar. Het is een heel bizarre tijd geweest. Maar als je het niet erg vindt, wil ik het over iets anders hebben.”

Hoe hou jij nou het hoofd boven water?

“Nou kijk, ik prijs me rijk. Ik doe wat ik graag wil doen, ik heb ontzettend veel lieve vrienden en ik heb te eten. Er zijn heel veel mensen die niet eens wat rijst hebben. Dus waar gaat het over?”

Je hebt zelfdiscipline.

“Én ik ben ijzersterk! Vroeger heb ik mezelf nog wel eens vergaloppeerd, maar je hoeft maar één keer zoiets mee te maken en dan wil je dat nooit meer.”

Wat gebeurde er dan?

“Om te beginnen zat ik toen aan de antidepressiva. En ik had een interview met Herman den Blijker, en wij vonden elkaar leuk. Maar hij nam een gigantische fles eau de vie mee, want hij wist dat ik dat lekker vond. En dat was dus en plein publique, hè? In een theater. Die fles hebben we naar binnen geklokt als oude zeemannen. En toen is bij mij gewoon het licht uitgegaan. Daarna ben ik heel omzichtig omgegaan met drank, voor welke prestatie dan ook. En ook met antidepressiva.


“Ik heb weleens van die paniekaanvallen dat ik denk: ik moet iets anders gaan doen. Maar wat dan? Want één: ze nemen mij nergens meer aan, en twee: je verdient ook niks. Ik zie hier mensen in het park weleens het gras maaien en dat lijkt me heerlijk om te doen, maar ik denk niet dat ze me zouden aannemen, en ik denk ook dat je geen stuiver verdient. Wat denk jij?”

Misschien verdien je er wel genoeg mee.

“Dan hoop ik dat ze me aannemen bij de gemeentewerken.”

Dat zou je wel leuk vinden, gras maaien?

“Ja, heerlijk. En een beetje op dat park letten, dat zou ik ideaal vinden. Als het me aangeboden wordt, zou ik dat meteen doen. Ik meen het echt hè, het is geen flauwekul. En dan zou ik hier en daar nog wat zingen natuurlijk. Maar het park komt dan eerst.”

De Harbourclub is een groot en sfeervol restaurant in Rotterdam. Grote en kleine tafels, met en zonder uitzicht op een levendig park. Geïnteresseerde bediening en smakelijk eten. Frédérique nam sushi en sashimi (€ 16,95) en ik de gravad lachs (€ 12,95). Geen grote gerechten, waardoor de klemtoon van ons samenzijn op het gesprek kwam te liggen. We hoefden niet met volle mond te praten, dus hadden weinig last van schaamte. De Harbourclub krijgt 8 HP’tjes.

import aan tafel