Heimwee naar Bernhard

Hoe zou de wereld eruitzien in de ogen van onze vorstin? Mariëtta Nollen kroop in haar hoofd en laat ons meekijken. Credit auteur>door dries muus

In Ik, Beatrix beschrijft Mariëtta Nollen een jaar en een paar dagen uit het leven van onze vorstin – vanaf Karst Tates’ aanslag op Koninginnedag 2009 tot en met de Damschreeuw bij de Dodenherdenking van 2010. Nollen kruipt in het hoofd van de koningin, laat haar peinzen over zaken van landsbelang (de troonopvolging) en over meer persoonlijke problemen (wanneer kan Hare Majesteit weer eens onbespied een sigaretje opsteken?). Een goed, origineel idee. Voor een kort verhaal of een novelle. Helaas is Ik, Beatrix een roman.

In haar eerste boek, Steenrijk, verkende Nollen de Amsterdamse vastgoedwereld. Ook toen zat ze haar hoofdpersoon, Melchior van Batenburg, dicht op de huid. Van Batenburg bestond voor driekwart uit eerzucht en lompheid. Het overige kwart was een mengeling van schuldgevoelens, zelfmedelijden en een vleugje tederheid. Steenrijk was onder meer zo’n geslaagd debuut doordat Nollen de lezer een overtuigende inkijk bood in het proleterige makelaarsmilieu en in Van Batenburgs megalomane gedachtewereld. Tegelijkertijd hield ze je nieuwsgierig met een strak opgezette plot.

Bij een roman als Ik, Beatrix hoop je ook op zoiets. De wereld van de Oranjes van binnenuit beschreven, een wereld omgeven door schandalen en formaliteit, een poppenkast waarvan ons nu een blik achter de schermen wordt gegund. Ons land bekeken door de ogen van een hoofdpersoon die we alleen van de buitenkant kennen, van een wandelend symbool dat wordt verheven tot een karakter van vlees en bloed.

Het probleem is alleen dat Nollen nauwelijks verder komt dan die buitenkant. Elk personage gedraagt zich ongeveer zoals je zou verwachten. Prins Willem-Alexander wil graag koning worden. Máxima is een goeiige, wat naïeve echtgenote. De koningin gaat gebukt onder haar zware taak, die ze bijzonder serieus neemt, te serieus misschien wel, maar waar ze maar moeilijk afstand van kan nemen. Jan Peter Balkenende is een drammerige hork zonder gevoel voor humor.


Ik, Beatrix verrast nergens echt, en de conflicten lopen nooit uit de hand. De koningin en Balkenende ergeren zich aan elkaar, maar verder dan beschaafde plaagstoten komen ze niet. De kroonprins zeurt wat als de koningin laat weten dat ze de troon voorlopig niet wil opgeven; hij zet haar licht onder druk en er volgen een paar moeizame gesprekken, maar Alexander draait vrijwel meteen weer bij als zijn moeder een beetje tegengas geeft. Niet bepaald Macbeth allemaal.

Dat had op zich niks uit hoeven maken – een roman kan best zonder grote ruzies, dramatische uitbarstingen of een plot met onverwachte wendingen. Als de hoofdpersoon tenminste tot de verbeelding spreekt. Nollens’ koningin Beatrix is keurig, toegewijd en degelijk, met een sterke realiteitszin. Ze heeft zichzelf vrijwel altijd in de hand. Goede eigenschappen voor een staatshoofd, maar niet voor een romanpersonage.

Wat ook niet helpt is dat de koningin om de paar alinea’s weemoedig, of zeg maar gerust pathetisch, terugdenkt aan haar Claus. Aan zijn relativeringsvermogen. Aan zijn ‘fenomenale verstand’. Met dat fenomenale verstand gaf Claus haar adviezen als: “Je moet durven loslaten en je laten meevoeren met de stroom.” Een briljante geest, inderdaad.

De eerste hoofdstukken zijn nog het interessantst. De inside jokes van de Oranjes over de kneuterige Koninginnedagfestiviteiten, de vorstin die tegelijkertijd tobt over de aanslag van Karst T. én over haar knellende schoenen: geen sensationele kost misschien, zelfs best triviaal, maar toch ook opmerkelijk omdat het om de leden van ons koningshuis gaat. Voor even dan, want zodra je beseft dat dit ook maar gewone mensen zijn, alleen met betere tafelmanieren en langere achternamen, is het verrassingseffect alweer uitgewerkt. Maar veel meer dan dat verrassingseffect heeft Ik, Beatrix niet te bieden.


In The Former First Lady and the Football Hero deed de Amerikaanse schrijfster A.M. Homes iets vergelijkbaars. Zij schreef over Nancy en Ronald Reagan, over leven volgens protocollen, over persoonlijke ellende die nog ellendiger wordt doordat er altijd rekening moet worden gehouden met het grote publiek. Maar The Former First Lady and the Football Hero is een kort verhaal. Bovendien leunde het minder zwaar op de werkelijkheid. Homes eigende zich Nancy en Ronald toe, maakte er háár verhaal van, zonder ongeloofwaardig te worden – integendeel.

Nollens werkelijkheid daarentegen is niet spannend genoeg, en zeker niet om een roman te dragen. Ondanks Karst T. en de Damschreeuwer is er in het Koninklijk Huis weleens meer te beleven geweest dan de laatste jaren het geval was. De personages die het verhaal meer kleur hadden kunnen geven, prins Bernhard en prins Claus, zijn van het toneel verdwenen. Ik, Beatrix had onthullend kunnen zijn. Prikkelend. Als Nollen meer verbeelding, meer durf had getoond. Of als de huidige leden van het Koninklijk Huis niet zo onvoorstelbaar suf waren geweest. Als er één woord is dat Ik, Beatrix het best samenvat, is het wel ‘braaf’. Niet gedacht dat ik dit ooit nog zou schrijven: leefde prins Bernhard nog maar.

Mariëtta Nollen: Ik, Beatrix. Prometheus, € 17,95. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

Dries Muus