‘Ik ben níet de baas’

Acteur Keanu Reeves (1964) staat niet te boek als praatgraag. Maar over zijn rol aan de andere kant van de camera is hij duidelijk enthousiast. ‘Als producent word je verondersteld te luisteren.’

Behalve die keer dat onze verslaggever in een Londense hotelkamer twintig minuten lang naar de schoenzolen van acteur Chris Penn zat te kijken, hebben we nooit een rampzaliger verlopen interview meegemaakt dan met Keanu Reeves. Aanleiding vormde de film The Private Lives of Pippa Lee (2009), waarin Reeves een recent gescheiden man speelt die een vertrouwelijke relatie met zijn buurvrouw krijgt. De producenten hadden de hoogst ongelukkige beslissing genomen Reeves en tegenspeelster Robin Wright Penn sámen groepsinterviews te laten doen. Wright Penn zat haar woede te verbijten over de herhaaldelijk uitgesproken veronderstelling dat zij een stuk ouder dan Reeves zou zijn (in werkelijkheid is ze twee jaar jonger). Dat deed de sfeer geen goed. Reeves slaagde er op zijn beurt in om elke vraag terloops door te schuiven naar zijn tegenspeelster. Aandringen had weinig zin. De meeste eloquente uitspraken die we bij die gelegenheid uit zijn mond optekende, waren: “Zou kunnen”, “Ik weet het niet,” “Misschien” en vooral “Dat kun je beter aan Robin vragen.”

Na een half uurtje zat het ‘gesprek’ erop en mocht een nieuw groepje journalisten aanschuiven. Nog net hoorbaar was hoe Reeves de openingsvraag – iets over jonge mannen die een relatie met véél oudere vrouwen krijgen – geroutineerd naar Wright-Penn doorverwees.

Anderhalf jaar later dient zich een nieuwe gelegenheid aan.

Aanleiding is dit keer Henry’s Crime, een luchtige en geestige film over een naïeve sul die in de gevangenis is beland voor een bankoverval waar hij niets mee te maken had. Eenmaal op vrije voeten besluit hij de misdaad waarvoor hij de straf al heeft uitgezeten alsnog te plegen onder het motto ‘I did the time, I may as well do the crime’.


Hoewel proefondervindelijk is vastgesteld dat Reeves geen gretige prater is, zijn er twee redenen om te veronderstellen dat hij dit keer wat loslippiger zal zijn. Eén: Henry’s Crime is de allereerste film van zijn eigen productiemaatschappij. Reeves is dus intensief bij de totstandkoming van de film betrokken geweest. De tweede reden hangt samen met de locatie van het interview: Toronto, de stad waar hij een groot deel van zijn kinder- en tienerjaren doorbracht alvorens op twintigjarige leeftijd naar Los Angeles te verkassen.

Als onze verslaggever bij aanvang van het interview informeert naar zijn jeugd in Toronto, krijgen we zowaar enthousiast en uitvoerig antwoord.

Reeves: “Het voelt een beetje vreemd om hier te zitten. Dit hotel (The Intercontinental aan Bloor Street – red.) is namelijk precies gebouwd op de plek waar ik als kind veel heb gespeeld. We woonden twee straten verderop en de buurt zag er destijds nog niet zo aangeharkt uit. ’s Zomers streken hier groepen motorrijders neer. Van die stoere, bierdrinkende bikers. Als kind vond ik dat wel spannend. Het was een gezellig rommeltje met veel schimmige nachtclubs, striptenten en cafés. En ik kwam zelf veel bij een soort headshop die snuisterijen, zakmessen en snoep verkocht.”

Bij een headshop gaan de gedachten toch eerder uit naar andere genotmiddelen, maar Reeves wijst dat lachend van de hand. “Misschien dat je er ook andere dingen kon kopen, maar daar hield ik me niet mee bezig. Ik zal een jaar of acht zijn geweest. Ik interesseerde me meer voor de vraag welke smaak kauwgom ik van m’n zakgeld zou kopen.”


Reeves heeft de Canadese nationaliteit, maar zou zich met recht een wereldburger mogen noemen. Hij werd als kind van een Hawaïaans/Chinese vader en een Britse moeder in Beiroet geboren en bracht zijn vroegste jaren in Australië door. Na de scheiding van zijn ouders trok hij met zijn moeder naar New York alvorens naar Toronto te verhuizen. Daar groeide hij op als een slacker die matig presteerde op school, zichzelf als ‘dumb’ karakteriseerde en eigenlijk alleen geïn-teresseerd was in ijshockey en acteren. Die laatste activiteit begon hij serieus te nemen nadat hij in enkele commercials voor onder andere Coca-Cola en Kellogg’s Corn Flakes had gespeeld. Dat zijn stiefvader als producent en regisseur in de film-business werkzaam was, kwam daarbij aardig van pas.

Naar eigen zeggen had Reeves ook baat bij zijn Canadese nationaliteit. “Halverwege de jaren tachtig werden veel Amerikaanse producties in Canada gedraaid omdat het daar goedkoper was. Dan waren ze wel verplicht een stuk of wat rollen aan Canadezen toe te delen. Dat heeft me in de beginjaren van mijn carrière weleens geholpen.”

Hij vindt het een merkwaardige ervaring om zichzelf terug te zien in films die een kwart eeuw geleden werden opgenomen. “Het maakt allerlei herinneringen los over wie ik toen was en wat ik toen deed. Het is een beetje alsof je in een oud fotoalbum zit te bladeren.”

Op 25-jarige leeftijd kwam er schot in zijn carrière. Reeves had zijn eerste grote hit in de tienerkomedie Bill and Ted’s Excellent Adventure (1989), ontpopte zich tot een bonafide actieheld in Point Break (1991) en maakte vrijwel tegelijkertijd naam in het arthousecircuit met My own Private Idaho (1991). De wereld lag aan zijn voeten. Eventjes, althans. Want onder de films waarin hij in daaropvolgende jaren te zien was, bevonden zich nogal wat zeperds. Zijn rol in Francis Ford Coppola’s Dracula-bewerking vormt zelfs een pijnlijk geval van miscasting. En de dramatische rollen die hij in de jaren negentig speelde, baarden ook al weinig opzien.


Dat zijn bankability niet kelderde, was geheel en al te danken aan het succes in diverse actiefilms. Speed werd in 1994 een grote hit. Hij bedankte (terecht) voor de sequel, maar stapte vijf jaar later wél in een betrekkelijk obscuur sciencefictionproject van Lana (voorheen Larry) en Andy Wachowski. Dat pakte goed uit: The Matrix werd wereldwijd een enorme kaskraker en beleefde twee succesvolle sequels met Reeves in de hoofdrol als Neo.

Hij maakte indruk met de overtuigende en alleszins acrobatische manier waarop hij de vele vechtscènes in The Matrix vertolkte. Reeves: “Mensen denken ten onrechte dat ik goed ben in martial arts. Ik ben een goede filmvechter, maar dat is een technische vaardigheid die bijna niets met écht vechten te maken heeft. Je kunt het beter met dansen vergelijken. Maar goed, als er zoiets als een zwarte band voor de discipline van filmvechten zou bestaan, dan haalde ik die wel.”

Het succes van The Matrix heeft hem verbaasd. “Een paar jaar eerder speelde ik de hoofdrol in Johnny Mnemonic, een sciencefictionfilm die nogal wat overeenkomsten met The Matrix vertoont. Maar niemand heeft die film gezien.”

Hij is bezig om met zijn eigen productiebedrijf eveneens een sf-film te ontwikkelen: “Ik ben gefascineerd door de technische mogelijkheden om het leven te verlengen. Waar houdt dat op? De wetenschap is hard op weg een niveau te bereiken waarbij je de ongezonde of sleetse onderdelen van je lichaam door een nieuw onderdeel kunt laten vervangen. Organen, huid, hersencellen – alles. Dat zou betekenen dat je de dood voortdurend uit kunt stellen. Als je rijk bent, althans. Wie arm is, gaat wél dood. Ik zou graag een film over de spanningen in zo’n maatschappij maken.”


Hij beschouwt zichzelf niet als een echte sf-fan. “Sciencefiction is een soort kameleon. Het neemt allerlei verschijningsvormen aan: de ene keer een thriller, de andere keer comedy of een romantisch verhaal. Omdat ik in een stuk of wat sciencefictionfilms heb gespeeld, veronderstellen mensen weleens dat ik een hele rij sciencefictionboeken in de kast heb staan. Maar dat is niet zo.”

Over de vraag wat er dan wél in staat, moet hij geruime tijd nadenken. “Ik sta er zelf altijd van te kijken hoe raar mijn boekenkast is. Als ik mijn blik langs die ruggen laat gaan, denk ik: niemand ter wereld heeft zo’n krankzinnige en incoherente verzameling boeken als ik. Maar misschien kijkt iederéén wel met zo’n blik naar z’n boeken. Wat je leest is natuurlijk ook een reflectie van waar je mee bezig bent. In de productiefase van Henry’s Crime heb ik vooral boeken van filmmakers gelezen. Nu is het tijd voor wat literatuur. Ik heb Freedom van Jonathan Frantzen klaarliggen. En de nieuwe van Milan Kundera.”

Hij voelt zich nog wat onwennig in zijn rol als producent. “Het kost méér tijd dan ik me had gerealiseerd. Ik ben die productiemaatschappij zeven jaar geleden met een vriend begonnen. Daarna heeft het nog vijf jaar aan schaven en schrappen gekost voordat we een scenario hadden dat ons beviel.”

Dat resulteerde in de totstandkoming van Henry’s Crime, met Reeves in de rol van het titelpersonage. “Ik speel een goeiige sukkel die zich makkelijk door anderen in de maling laat nemen. In het jaarboek van zijn middelbare school wordt hij omschreven als nicest guy. Nou, dan weet je het wel. Henry vindt het eigenlijk helemaal niet zo erg om naar de gevangenis te gaan. Zijn dagelijks leven voelt al als een gevangenis. Dáár wil hij aan ontsnappen.”


Binnen de muren van de gevangenis sluit Henry vriendschap met een charmante oplichter (James Caan) die hem wakker schudt. “Hij wordt aan het denken gezet. Eenmaal op vrije voeten besluit hij zijn leven een nieuwe richting te geven.”

Op de set moest Reeves wennen aan de grote hoeveelheid mensen waarmee hij opeens te maken kreeg. “Vooral op momenten dat ik met mijn eigen rol bezig was. Dan moest ik in mijn hoofd een knop omzetten om met anderen te gaan praten over hún beslommeringen. Want als producent word je toch verondersteld te, eh… te luisteren, nietwaar?”

Als ik hem in een volgende vraag terloops als the boss karakteriseer, reageert Reeves ietwat geprikkeld. “Ik ben níet de baas. Film draait om samenwerking. Als het nodig is, moet je jezelf ondergeschikt kunnen maken. Wil je weten hoe objectief en eerlijk ik ben?”

Er breekt een glimlach door op zijn gezicht. “Als producent ben je in de positie je nadrukkelijk met de ontwikkeling van een scenario te bemoeien. Heb ik gedaan. Maar het overgrote deel van de dingen die ik aan het verhaal heb toegevoegd, zijn er uiteindelijk toch weer uitgegooid.”

Erik Spaans