Leer eerst na te denken voordat je wat zegt

Waarde Máxima, ‘De woorden van de nacht worden vervaagd door de dageraad,” luidt een versregel, maar er zijn uitspraken, en dan met name van openbare personen gedaan in openbare ruimten onder de spiegelgewelven van de media, die beklijven; en zij beklijven niet vanwege hun diepzinnigheid of omdat ze een verrassende geestesinslag verraden, maar door hun gebrek aan snuggerheid.

Zo’n uitspraak heb jij gedaan, Máxima, en ik moet je er nu toch even over aanspreken – tutoyerend, want we verschillen niet veel in leeftijd en ik wil niet al te pedant overkomen. Daarbij zijn wij beiden allochtonen, spruiten van een andere verre grond, hergewortelden in een intussen vertrouwd land en verwekkers en voortbrengers van nieuw leven als een natte penseelstreek tussen de kleuren van een regenboog.

Ik kreeg net zo makkelijk mijn verblijfspapieren als jij.

Het is mij trouwens ter ore gekomen dat jij in het najaar de eerste complete Nederlandse vertaling van de Argentijnse dichter Jorge Luis Borges in ontvangst zult nemen; een literaire gebeurtenis van belang. Behalve literair is vertalen vooral een culturele bezigheid, want wie de ene taal naar de andere overzet, die moet een landschap van endemische termen en associaties overplanten en opnieuw zaaien. Daarom verbaast het mij dat jij je aanvankelijke acceptatie om de uitgeverij van dit werk te bezoeken hebt teruggetrokken en de gastheer ‘te jouwent’ (haha) hebt uitgenodigd.

Waarom eigenlijk? Waarom wilde je de traditie van Wilhelmina die De Bezige Bij bezocht niet voortzetten? Koude voeten? Angst om de mogelijke hoeveelheid gasten en journalisten? Als ik euvel was (zoals nu), zou ik zeggen dat je je alleen tussen de Nederlanders wilt begeven als ze zich op zwaaiafstand bevinden. Dit zou echter vreemd zijn, want heb jij namelijk niet zelf gezegd dat ‘de Nederlander’ niet bestaat? Wie is er bang voor een non-entiteit? (Dit klinkt als was het een toegangspasje van een non voor de alkoven in het klooster.) Jij bent toch niet bang om in verlegenheid te worden gebracht door de as- en brandplekken van je echtgenoot, die geen echtgenoot is, omdat hij een Nederlander is? Daar hebben ze wel mensen die hem achterna kunnen lopen met asbakken – hoef jij het niet te doen. Een gedienstigheid waarin ik een ruraal argentinisme vermoed, ware het niet dat ‘de Argentijn’ – volgens jou – ook niet bestaat. Wat is dit voor wereld waarin burgers niet meer zijn dan een geografische denominatie, een topografische silhouet, een gereduceerde pictogram?


Men schenkt ten huize van de uitgeverij trouwens ook bier.

Het is niet een weinig ironisch dat uitgerekend jij het poëtisch werk in ontvangst gaat nemen van een polyglotte dichter die worstelde met het begrip ‘identiteit’, die geloofde in de oneindigheid van het ego zoals oorverdovend weergalmd in de kosmos, de mens als microkosmos, de microkosmos als bibliotheek, waarin een globe, een onvindbaar land, een berg, een tuin met zich vorkende paden (een symbool van oneindigheid, en dus een doolhof) tussen twee kaften te vangen en te vinden was. De essentie van een volk is zijn taal. Jij zou dat moeten weten, want je hebt je het Nederlands (taal van mensen die niet bestaan) eigengemaakt en wie een andere taal leert, verandert van ziel. En dat kan alleen als men de essentie te pakken heeft. En ik denk dat je de essentie mist.

Als we het hebben over ‘de Nederlander’, dan behoren wij niet te spreken over de doorsnee Nederlander, want dat is de folklorefiguur die Koninginnedag, voetbalstadion en camping bevolkt. Door deze Elckerlyc is elk land, elke nationaliteit besmet. Daarbij is collectiviteit fnuikend voor individualiteit, een universele neurose. Zwaai er een godsvlag boven en het heet spiritueel egoverlies, angstaanjagend mechanisme. Alsof een poging tot egoverlies niet ook een vorm van egotripperij is, maar dat terzijde – ik wil niet afdwalen.

Als we spreken over ‘de Nederlander’, dan zouden we moeten spreken over dat wat de Nederlander bijzonder maakt, de mens onderscheidt van andere, door landsgrenzen gedefinieerde wezens. Daarom gloei ik van ergernis wanneer tijdens discussies over het Nederlanderschap de onvermijdelijke kroket, klomp en bitterbal langskomen; verwaarloosbare emblemen, behalve voor boer en dronken maag, leuk voor de toeristen. Deze modieus zelfkritische houding is arrogantie ten top, want zij houdt niet in dat mensen zulke folkloristische emblemen niet nodig hebben, alleen dat de Nederlandse symbolen minderwaardig zijn. Want hoe groot is de schrik als men een Fransman ziet zonder stokbrood en baret of een Eskimo die handen schudt? Archetypes zijn van belang, in elke cultuur, en ze lijken mij voort te komen uit de evolutionaire noodzaak de vreemde omgeving in kaart te brengen, aangestuurd door de amygdala: de angst- en stresshormoonleverancier die ons waarschuwt voor gevaar. Het is essentieel voor overleven.


Natuurlijk bestaat de Nederlander wel, jij bent zelfs getrouwd met een Nederlander – of beschouw jij hem (sta ons bij) ‘gewoon als mens’, zoals er mensen zijn die beweren de kleur van een neger niet te kunnen onderscheiden van andere kleuren? Arme neger: hem is al zo veel afgepakt, en nu ook nog zijn kenmerkende melanine.

De Nederlandse vrouw is een dithyrambe van mijn pen waard, een opvallende bloesem in de westerse boom en wat de Nederlandse vrouw bijzonder maakt, hoe haar bloed festoent en ziedt, hoe haar geest zweeft en flintert – deze combinatie van kwiekheid en majesteit is zeker een gezang waard, maar die bewaar ik voor een volgende keer. Als jij hebt geleerd eerst na te denken voordat je wat zegt.

Alle goeds, Hafid Bouazza

import monarchie