Melancholiek genie

In haar eigen rouwadvertentie werd niet Vasalis aangehaald, maar James Joyce. Zelfs haar dichtersnaam werd niet genoemd; de tekst meldde slechts het overlijden (op 16 oktober 1998, 89 jaar oud) van Margaretha Drooglever Fortuyn-Leenmans. Zo had ze het gewild, want, schrijft biografe Maaike Meijer, Vasalis was door de draagster van het pseudoniem al zo vaak doodverklaard ‘dat zij al niet meer begraven hoefde te worden’.

Dood en doodsverlangen vormden een terugkerend thema in leven en werk van Vasalis, net als liefde, ziekte en verlies. Onderwerpen die ieder mens raken, en haar gedichten maakten dan ook heftige reacties los, zij het zeer tegengestelde. Liefhebbers ervoeren niets minder dan ‘ademnood’ (Bob Frommé) of het gevoel dat hun ‘compleet de huid werd afgestroopt’ (Léon Hanssen), tegenstanders spraken geërgerd van ‘damespoëzie’ (W.F. Hermans) of ‘familiegeslijm’ (Gerrit Komrij).

Met dat soort neerbuigende kwalificaties veegde Vasalis de vloer aan in haar dankwoord voor de P.C. Hooftprijs in 1983. ‘Typisch vrouwelijke poëzie’ was kennelijk poëzie ‘die zich bezighoudt met de kleine dingen van het leven, namelijk de natuur, kinderen, ziekte, ouderdom, dood en God en meer van deze futiliteiten’.

Voor aanmerkingen op haar werk had ze geen zure mannen nodig. Ze was zelf de scherpste critica van wat ze haar ‘productjes’ noemde. Niet meer dan honderd vond ze er goed genoeg om aan de buitenwereld toe te vertrouwen. Al zou Meijer als hoogleraar genderstudies geen knip voor de neus waard zijn als ze Vasalis writer’s block niet mede toeschreef aan de belemmeringen van het vrouwenbestaan. Wat feitelijk best meeviel; Vasalis had een drukke werkkring en liet het huishouden goeddeels over aan haar personeel.

Een bewonderenswaardig geëmancipeerd leven dus, in een tijd dat feminisme niet erg in de mode was. Meijer is dan ook ronduit idolaat van Vasalis, die ze beschrijft als ‘een fascinerende vrouw, een begaafde tobber, een vitale moeder, een humoristische vriendin, een kundig kinderpsychiater, een oergeestige correspondent, een melancholiek genie, een fabelachtig lezer, een ziener, een dromer, een volbloed romantica, een dichter die leefde tot in haar vingertoppen’.


Dat beeld houdt stand in de biografie, maar wat meer distantie tot het onderwerp en bereidheid om te schiften was welkom geweest. Niet elk gedicht of elke droom hoeft uit en te na te worden verklaard – zeker niet als je bedenkt dat Vasalis zelf, zoals Meijer ook trouwhartig noteert, een hekel had aan dergelijk geanalyseer. En wie wil er in godsnaam weten dat de dagelijkse boodschappenronde eerst naar de slager voerde en dan naar Albert Heijn?

Niettemin valt er veel te genieten, zeker wanneer Meijer Vasalis zelf citeert uit de vele brieven, dagboeken, en aantekeningen die ze heeft nagelaten. Zoals de openhartige correspondentie tussen Vasalis en Gerard Reve, die meer nog dan zij geneigd is tot somberheid en drankzucht, maar die ze afraadt om naar een ontwenningskliniek te gaan. “Een leven zonder alcohol is geen leven, zei je en zo denk ik er vaak ook over. (-) Matiging is niet alleen moeilijk maar mijns inziens ook stuitend. Stel je bijvoorbeeld voor dat je een klein beetje vree, of enigzins in God geloofde. Met het oog op de gezondheid.” En Reve schreef aan haar: “Je lijkt me een al te zwaartillende en tobberige instelling te hebben. Men moet ook eens kunnen brullen van het lachen om alles, vind ik, anders stik je.”

Maaike Meijer: M. Vasalis – Een biografie. Van Oorschot, € 35. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

Cecilia Tabak