Bejaarde pestkoppen

Elke week één artikel uit HP/De Tijd in zijn geheel op de website. Deze week de column van Beatrijs Ritsema over pestkoppen in het verzorgingstehuis. Een op de vijf bewoners is daar het pispaaltje.

De grootste hinderpaal bij het invoeren van pestprotocollen in verzorgingstehuizen lijkt mij het ontbreken van een duidelijke autoriteit ter plekke. Die pestprotocollen zijn nodig, omdat uit onderzoek is gebleken dat één op de vijf bewoners als pispaaltje wordt behandeld door medebewoners. Net als op het schoolplein en in de kantoortuin heerst er in het verzorgingshuis een onverbiddelijke hiërarchie, waarbij degenen die aan de top bivakkeren het leven zuur maken van degenen die onderaan bungelen. Beoefent men op school het afpakken en kapotmaken van bezittingen, het uitjouwen en belachelijk maken van de ander, onder oudjes gaat het er niet veel subtieler aan toe: een plaats aan de eettafel zogenaamd bezet houden, iemands kroket verschalken (‘O, ik dacht dat je op dieet zat’), breiwerkjes verstoppen, schoppen onder tafel, met een rollator tegen iemand opbotsen. Overal dezelfde uitsluitingsmechanismen.

Tussen de pesters en de gepesten in bevindt zich een groep van passieve omstanders die de dingen laten gebeuren – niet zozeer uit kwaadaardigheid als wel uit zelfbescherming. Ze willen de aandacht niet op zichzelf richten door ineens ergens een punt van te maken en het risico te lopen dat de agressie zich tegen hen keert. Ze weten ook niet zeker of hun interpretatie van bepaalde incidenten wel klopt. Veel pestgedrag gaat onder het mom van een geintje, en in geval van twijfel over agressieve dan wel humoristische bedoelingen is het voor omstanders veel aantrekkelijker de balans in de richting van humor te laten doorslaan. Dat geeft minder gedoe.

Bij pestprotocollen op scholen wordt onderscheid gemaakt tussen plagen en pesten. Het ene mag wel en het ander mag niet. Over en weer plagen draagt bij tot een gezellige sfeer, waar mensen zich op hun gemak voelen met elkaar. Pesten ondermijnt juist de veiligheid. Het lastige is dat geen enkel gedrag op een objectieve manier gecategoriseerd kan worden als hetzij plagen, hetzij pesten. Bijnamen kunnen een teken van vertrouwelijkheid zijn, maar ook een uiting van haatdragendheid. Een plaats bezet houden voor een ander kan duiden op uitsluiting van de weggestuurde, maar ook op loyaliteit met een vriendin die daar even later daadwerkelijk gaat zitten. Een rollatorbotsing kan expres of per ongeluk gebeuren.

Daar komt bij dat mensen van elkaar verschillen in gevoeligheid en dat dikhuidigen niet altijd de gevolgen van hun gedrag op anderen naar waarde schatten, terwijl dunhuidigen zich zwaarder aangetast kunnen voelen dan het incident rechtvaardigt. Pest- en plaaggedrag vormt aldus een onontwarbare kluwen van percepties van voor betrokkenen totaal verschillende werkelijkheden. De tv-serie Gepest illustreert dat treffend door te laten zien dat de pesters van weleer, jaren na dato geconfronteerd met het leed van hun slachtoffer, zich zo te zien oprecht van geen kwaad bewust waren. Op een of andere manier maakt het gebrek aan herinnering het allemaal nog erger: onnozelheid en gebrek aan empathie leveren minstens zo veel kwaadaardigheid op als zuivere haat die mensen zich doorgaans wel herinneren. Over de banaliteit van het kwaad gesproken!

Hoewel pestprotocollen op scholen weinig effectief schijnen te zijn (met de sociale media erbij is een gepest kind helemaal vogelvrij geworden), kan een alerte leerkracht toch wel iets bereiken, bijvoorbeeld door pester en gepeste te verplichten samen een opdracht uit te voeren en hun lot tijdelijk aan elkaar te verbinden. De leraar kan zijn autoriteit gebruiken om bepaalde structuren te doorbreken en regels te stellen. In het verzorgingstehuis is het personeel per definitie serviel ingesteld. Er is daar geen autoriteit die tafelschikkingen kan afdwingen of pestende, bejaarde bijenkoninginnen te verstaan kan geven dat het afgelopen moet zijn met de vernederende acties, of anders… In al z’n moedeloos makende banaliteit zal het kwaad nog wel even voortwoekeren.

Beatrijs Ritsema