Donnerwetterland

Drie antihelden worstelen zich door de gruwelijkste periode van de twintigste eeuw. De lezer wordt intussen heen en weer geslingerd tussen verveling en ergernis.

Bloedgetuigen is een kalmerend, bescheiden boek dat je rustig aan de kinderen kunt voorlezen – tenminste, als die kinderen houden van honden die hun eigen drollen opeten, veldslagen aan het Oostfront, een verkrachting door een Russische lilliputter, kannibalisme en gedetailleerde beschrijvingen van elektrocutie en andere martelmethoden.

Johan de Boose deelt zijn bloederige epos over de twintigste eeuw in drie verhaallijnen op. Er is de jonge Jean uit Ledekerke, Vlaanderen, die op basis van valse propaganda deelneemt aan Operatie Barbarossa. Er is de joods-Russische Ljev, die voor de Russen vecht, in de hoop op een communistische samenleving zonder de stalinistische gruwelen. En er is de voormalige ballerina Kamila, die in een barbaars Sint-Petersburg probeert te overleven. De personages worstelen zich – vaak letterlijk – door hun uitzichtloze levens en worden geconfronteerd met de grote rampen van hun tijd. Maar indruk maken doet het zelden. De hoofdpersonen zijn niet zozeer slachtoffer van een gruwelijke eeuw als wel van een dwangmatige namedropper.

Sommige schrijvers bedenken voordat ze aan hun roman beginnen eerst de plot, anderen beginnen vanuit de personages. Bij De Boose lijkt het alsof hij eerst een lijst met bekende namen heeft opgesteld en daar vervolgens een verhaal omheen heeft gebouwd. Om de alinea haalt hij een schrijver, dichter of wetenschapper aan; of daar nu aanleiding voor is of niet (meestal niet). Als De Boose een Russische boer omschrijft die een bepaald soort hemd draagt, wordt daar bij vermeld dat Tolstoj ook zulke hemden droeg. Als Kamila en haar vader Petersburg ontvluchten, wordt er een zin van Byron opgelepeld, waarna de vader zegt: “Ik had niet gedacht dat ik dit vers van Byron ooit zou citeren.” Voor de lezer is het een minder grote verrassing.


De Boose is Slavist, vermeldt de achterflap. Vóór Bloedgetuigen bracht hij dichtbundels uit, twee romans en een handvol non-fictiewerken, vaak over Oost-Europa. Dit is zijn opvallendste werk tot nu toe: ruim zevenhonderd pagina’s, een groots onderwerp, twee pagina’s aan motto’s, en niet alleen een opvallende felrode omslag, maar ook rode paginaranden. In zijn ambitie heeft de schrijver echter een paar dingen over het hoofd gezien. Details, zoals een spanningsboog, aansprekende personages en originele inzichten.

De Boose plaatst zichzelf constant tussen de lezer en de hoofdpersonen. Niet dat die nou zo interessant zijn – alles wat ze doen wordt keurig verklaard, ze zijn komisch noch tragisch en weten je slechts zelden te verrassen. Maar ze worden in zo’n onheilszwangere tijd geboren dat het verhaal meteen geladen is. De hele wereld gaat veranderen, en ook hun levens zullen overhoop worden gegooid. Maar net als je de wereld door de ogen van de personages begint te zien, wordt er weer een citaat of een literaire verwijzing door je strot geduwd. Of begint het vierde personage van de roman tegen je te praten: de twintigste eeuw zelf. De twintigste eeuw wordt opgevoerd als een praatzieke slettebak die het woord ‘geil’ als stopwoord gebruikt – ook als ze over de grote verschrikkingen praat. Nee, júist als ze over grote verschrikkingen praat. Ze vat de eeuw samen, geeft een geschiedenisles, waarin ze de ene flauwiteit aan de andere rijgt.

Hitler noemt ze ‘de Haakneusneuker’, Stalin wordt ‘de Kakkerlak’, Duitsland ‘Donnerwetterland’. Een gewild, populair toontje. De Boose probeert hier een idioom uit dat hij duidelijk niet beheerst. De hoofdstukken van de slettebak zijn niet grappig, niet provocatief en niet inzichtelijk. Ze roepen meer vragen op dan ze beantwoorden, vooral in de categorie: waar slaat dit allemaal op? Als het De Booses bedoeling was om met de hysterische monologen van de slettebak afwisseling te bieden van de veldslagen, de hongersnood en de persoonlijke ellende, is hij in zijn opzet geslaagd. Maar het is een afwisseling tussen verveling en ergernis.


Een boek als Bloedgetuigen, met zo’n groot bereik en zo’n verscheidenheid aan personages, zou de lezer constant aan het denken moeten zetten. Over de manier waarop alle verschillende verhalen in elkaar grijpen. Over de overkoepelende vraag: wat lag er ten grondslag aan de genocide in de twintigste eeuw? Maar De Booses antwoord – blind idealisme – is weinig inspirerend. De grootste ellende komt voort uit de combinatie van een gefrustreerd volk dat droomt van een betere wereld en een leider die dat volk perspectieven biedt. Onvrede + blind idealisme = massaslachting, en op welke ideologie de leider zich beroept, doet er niet toe. Wederom: een weinig verrassend inzicht.

Het is ook weer niet zo dat je van Bloedgetuigen helemaal niets leert over de menselijke geest: denk aan de subtiele scène waarin een kampbeul masturbeert terwijl hij kijkt naar joodse vrouwen die vergast worden. In plaats van walging of woede, voelde ik een gaap opkomen. Dat was nieuw. De Booses grootste prestatie is misschien wel dat hij van hongersnoden, volkerenmoord, twee wereldoorlogen en de opkomst en ondergang van het communisme iets saais heeft weten te maken.

Johan de Boose: Bloedgetuigen. De Bezige Bij, €29,95. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl

Dries Muus