Een minder soft Europa

Brussel moet minder subsidie geven en klare wijn schenken.

Ik wist ook niet dat 9 mei ‘de dag van Europa’ was. Wel was ik die dag in de Senaatszaal van de Eerste Kamer, waar de Duitse oud-president Roman Herzog een lezing hield. Geen zondagsrede, maar een kritisch verhaal. Herzog stelde vast dat Europa het contact met de burgers had verloren, dat het fout was om te verwachten dat Europa zich naar analogie van een echte staat zou ontwikkelen, en dat een bureaucratisch Europa geen sterk maar een zwak Europa was. Oud-Eurocommissaris Frits Bolkestein deed er nog een schepje bovenop. Hij hekelde het Europees Parlement, dat in een federale fantasiewereld zou leven, niet representatief is, en altijd ‘meer Europa’ wil. Voor Bolkestein is dat het probleem. Van feestvreugde was in Den Haag geen sprake.

Niet dat ik de Europese vlag had willen uitsteken. Ik ben al heel lang euroscepticus, maar vraag me af of de eurosceptici inmiddels niet net zo veel clichés te berde brengen als de euro-idealisten. Beide kampen grossieren in visioenen, alsof Europa nog steeds vooral iets voor de toekomst is. Tien jaar geleden was dat inderdaad zo, want toen moest de euro nog worden ingevoerd en de uitbreiding naar Oost-Europa nog plaatsvinden. Maar sinds de financiële crisis, en zeker sinds de problemen met Griekenland, Ierland, Portugal en mogelijk ook Spanje aan het licht zijn getreden, is de dag van vandaag belangrijker. Over die actuele nood wordt mijns inziens nog te besmuikt gedaan.

Dat de eurosceptici hun gelijk bevestigd zien in de crisis rond de euro, laat zich raden. Zij hebben altijd beweerd dat een monetair beleid voor zo veel verschillende landen tot rampen leidt, waarbij nog komt dat Frankrijk en Duitsland hun meningsverschillen over de euro nooit hebben opgelost en EMU-afspraken aan hun laars lapten toen dat beter uitkwam. Bolkestein spreekt – terecht – van geboortefouten rond de euro, zoals ook het toelaten van Griekenland tot de eurozone zo’n geboortefout is. Daar staat tegenover dat de hele Europese eenwording het kind is van geboortefouten (twee wereldoorlogen) en daaraan een eigen karakter ontleent. Ik heb weinig sympathie voor het bedrog van de Grieken, maar ik denk niet dat Europa het zich kan permitteren om ze in de Hellespont te laten verzuipen. Gek genoeg ontbreekt het aan de vaststelling dat het gat van de Grieken (en andere knoflooklanden) ook ons gat is. Voor erkenning van die kleverige werkelijkheid schrikken de eurosceptici terug, alsof de landen aan de Middellandse Zee er niet echt bij horen en nog geloosd kunnen worden.


Ook de euro-idealisten hoor je er niet over, hoewel de financiële crisis voor een wederzijdse afhankelijkheid tussen Noord- en Zuid-Europa heeft gezorgd die er voorheen niet was. Zij moeten met de billen bloot en toegeven dat de euro meer riskante verplichtingen schept dan ons was voorgespiegeld. Europese lotsverbondenheid klinkt mooi, maar niet als het schip dreigt te zinken. Toch kan alleen een gezamenlijke Europese aanpak uitkomst bieden, want ook als de zwakke broeders uit de euro stappen, vereist dat een reddingssloep die niet aan zijn lot kan worden overgelaten. De financiële markten blijven anders genadeloos doorbeuken tot hun volgende prooi. In feite zien we dat al, want na elk gerucht volgt een nieuwe storm. Voor de zwakke eurolanden is er geen weg terug naar hun nationale munt, voor de sterke landen komt uittreden op verdragsbreuk neer (waarop ook een prijs staat).

De eurolanden kunnen niet meer van hun schulden weglopen, wat strikt genomen een schone zaak is, maar in de praktijk tot veel scheve gezichten en vingerwijzen leidt. De een heeft altijd meer schuld dan de ander. Ik denk dat deze gaten alleen kunnen worden gedicht door ‘meer Europa’, dat wil zeggen een Europa dat minder subsidie uitdeelt, klare wijn schenkt en de burgers geen rad voor ogen draait. Dat betekent een Europa dat minder een soft power wordt en vooral niet populair moet willen zijn. Impopulair is Brussel al. Het van zich afbijten moet nog komen.

import dirk jan van baar