Hemelse kommer & kwel

Zelden hoor je nieuwe muziek die zo intens, origineel en wondermooi is. Maar The Unthanks blijven er bescheiden bij. ‘We willen de verhalen van onze liedjes vertellen.’

Dat is nou jammer! Juist op een moment van dramatische stilte in de muziek dendert de trein van kwart over negen uit Edinburgh over het plafond boven het podium heen. Adrian McNally, de pianist, arrangeur, producer, manager en platenbaas van The Unthanks, haalt verontschuldigend zijn schouders op en zegt schaapachtig glimlachend: “Met dank aan ScotRail!” Plaats van handeling: The Arches, een club in de catacomben van Glasgow Central Station. Op het podium de tienmansband die in het Verenigd Koninkrijk inmiddels een bijna goddelijke status heeft verworven en op het punt staat om ook in de rest van Europa zalig verklaard te worden. Acht muzikanten die hun rol ondergeschikt maken aan twee zingende zusjes: Rachel en Becky Unthank.

‘One of the true wonders of 21st century music’ noemde het popblad NME de versmelting van hun twee unieke stemmen. En daar is geen woord van gelogen.

Een coverband, zo zou je The Un-thanks kunnen noemen. Naast soms eeuwenoude volksliedjes coveren zij, op geheel eigen manier, ook songs van Robert Wyatt, Tom Waits of King Crimson. De arrangementen – een wonderlijke ontmoeting tussen Steve Reich, progrock en Antony and The Johnsons – hebben nog maar weinig te maken met folk-, rock- of popmuziek, maar toch werd het album The Bairns in 2008 al genomineerd voor de prestigieuze Mercury Prize. De groep heette toen nog Rachel Unthank & The Winterset, maar alle ingrediënten voor het huidige groepsgeluid – zij het minder orkestraal – waren toen al aanwezig.

In The Arches wachten de zangeressen, één hand op de heup en de andere ontspannen langs het lichaam, ondertussen gelaten tot de trein boven een eind verderop op het station tot stilstand is gekomen. Wanneer het laatste zachte gerommel is weggestorven, halen ze diep adem en wordt de klamme, naargeestige onderaardse ruimte gevuld met de warme, hemelse klanken van Gan to the Kye (wi’ me, my love).


Maar zo hemels als deze openingstrack van het nieuwe album, Last, ook moge klinken, zo banaal is feitelijk de tekst. “Kom mee naar de koeien, m’n lief. Door het moeras en door het bos, dan zing ik een deuntje voor jou. Cushy, jouw lievelingskoe, loeit klaaglijk rond de stal van haar eersteling. Tranen stromen langs haar wangen, want haar kleine Colly is dood…”

Dan volgt het relaas van hoe de aan-gesprokene in het bezit is gekomen van de kudde, dat hij zijn koeien heeft geërfd van zijn vader, de waakzame landheer die jammerlijk sneuvelde in de veldslag tegen rebellerende Schotse clans. Kortom: verder van de 21ste eeuw kan een lied bijna niet verwijderd zijn.

Verbaasd over hun succes zijn Rachel en Becky Unthank dan ook wel een beetje. Becky geeft toe dat ‘het natuurlijk niet echt gemakkelijk is om naar eindeloze, superzielige liedjes te luisteren over plaatsen en mensen waar je nog nooit van je leven van hebt gehoord’. En dat, voegt Rachel er vol zelfspot aan toe, ‘ook nog eens gezongen met een accent dat je niet eens kunt verstáán’.

De zusjes giechelen als twee bakvissen. De acht maanden zwangere Rachel (zij en McNally zijn een stel) wrijft, zoals aanstaande moeders dat met gepaste trots kunnen doen, met beide handen over haar enorme buik. Becky frunnikt juist met enige regelmaat aan haar kleding om haar buik een beetje te verhullen, maar die van haar heeft dan ook niets te maken met zwanger zijn. Beide vrouwen zijn klein en, zoals de Engelsen dat zeggen, plump – een kwalificatie die toch net even vriendelijker klinkt dan ‘te dik’.

Wat uiterlijk betreft zijn de zusjes Unthank trouwens in alle opzichten het schoolvoorbeeld van antisterren: hun haren hangen er maar zo’n beetje bij, en van de vormloze bloemetjesjurken weet je bijna zeker dat ze al in de jaren vijftig werden gedragen door armlastige huismoeders. Maar, zo zouden wij Chet Baker willen citeren, don’t change your hair for me, not if you care for me: Rachel en Becky zijn puur, eerlijk en echt, en dat moet vooral zo blijven.


Het toeren en optreden, stelt de zwangere Unthank de verslaggever desgevraagd gerust, valt haar helemaal niet zwaar. “Ik rust, lees, slaap, ga een uurtje of wat zingen en ga weer terug naar bed. Het optreden is voor mij het mooiste moment van de dag. Als ik sta te zingen, ben ik alle lichamelijke ongemakken even vergeten. De baby vindt het volgens mij ook prima. Hij wordt altijd wakker en schopt me. Dan denk ik: hé, kan het wat rustiger daar? Ik sta hier op te treden!”

Gedurende die optredens doet Rachel het wel een beetje rustiger aan: tijdens de solo’s van haar zus gaat ze er bijvoorbeeld maar even onelegant bij zitten. “En het klompendansen laat ik ook al een tijdje aan Becky over,” bekent de aanstaande moeder. “Dat gehuppel trek ik niet meer met die dikke buik.”

Klompendansen?! Een buitenstaander zou denken dat Rachel een grap maakt. Dat is niet het geval; ook deze archaïsche folkloristische act heeft bijgedragen aan het succes van The Unthanks.

Rachel: “De meeste mensen denken al snel dat wij die dansjes van de Hollanders hebben gepikt, zien ons meteen met van die grote houten gevaartes op het podium staan. Maar nee: wij dansen – het is overigens eerder een soort tappen – gewoon op leren schoenen met houten zolen. We doen dat al van kinds af aan, zitten nog steeds op een clubje waar we met enige regelmaat mee optreden.”

Tijdens de show in The Arches geeft Becky aan het einde van Lucky Gilchrist een nummertje clog dancing ten beste. Ook hier valt weer op hoe wars de band is van elke vorm van flitsende showbizz. Becky neemt alle tijd om haar pumps uit en haar clogs aan te doen. Ondertussen wordt er door de bandleden wat heen en weer gekletst en vliegen de vileine grappen in het rond. Het is alsof je bij hen thuis of bij een informeel concert in de kroeg om de hoek bent. Wanneer de klompen eindelijk aan de voeten zitten, ploft Rachel op haar stoel en gaat Becky – klikkerdeklikkerdeklak – helemaal los.


Luisterend naar Lucky Gilchrist, een van de zeldzame eigen, door Adrian McNally geschreven liedjes, bekruipt de oplettende luisteraar nog een vreemd gevoel: hier is ritmisch – zeker voor westerse folkmuziek – iets merkwaardigs aan de hand: de song wordt gespeeld in een 7/8ste maat.

Wie probeert de magie van The Un-thanks te ontrafelen, komt sowieso steeds weer bij McNally uit. Vraag aan Rachel hoe ze op het opmerkelijke idee kwamen om Starless van King Crimson (van de plaat Red uit 1974) op te nemen en ze verwijst naar haar echtgenoot. En wie stelt dat een nummer als Sea Song van Robert Wyatt geen voor de hand liggende keuze is – de band wijdde zelfs een heel concert aan het werk van de voormalige Soft Machine-drummer – krijgt steevast te horen: “Oh, that was Ade again… You’d better talk to him about it.”

Tijd voor een onderhoud met manlief dus.

Adrian McNally wil het liefst praten onder het eten. Op de kaart van het restaurant van The Arches staat haggis, tatties and neeps, een traditioneel Schots gerecht van een in maagweefsel gestoofd mengsel van hart, lever en longen, geserveerd met aardappel- en raapsteelpuree. McNallykan het van harte aanbevelen, maar bestelt zelf wat anders. Hij is vegetariër, zo fluisterde zijn vrouw – zelf vreet ze zich de laatste tijd helemaal vol met worstjes – ons eerder in. McNally baalt er een beetje van dat Rachel dat verhaal uitgebreid rondbazuint, dus we beloven hem dat we het niet zullen opschrijven. “Maakt niet uit,” zegt hij quasi gekweld, “het heeft toch al breed uitgemeten in The Sunday Times gestaan.”

De pianist – op de platen is hij ook de drummer – had al een relatie met Rachel voordat hij zich met haar carrière ging bemoeien. “Er zijn al dingen genoeg waar je als stel ruzie om kunt maken, dus het leek me niet verstandig om daar nog eens een professionele relatie aan toe te voegen. Maar toen ik merkte dat ze worstelde met de vraag hoe ze naar buiten moest treden,ben ik haar toch te hulp geschoten. Je moet goed begrijpen dat voor Rachel zingenen artiest worden niets met elkaar te maken hebben. Haar vader is een folkzanger, maar geen beroepsmuzikant. Dat geldt eigenlijk voor het hele gezin, de hele familie en alle buren, vrienden en kennissen: zingen hoort in Northumberland en Tyneside gewoon bij het leven. Op alle feestdagen, verjaardagen of andere familiebijeenkomsten wordt iedereen geacht een liedje mee te nemen. Wat voor een liedje maakt niet uit, en of iemand een goede of een slechte stem heeft ook niet.”


McNally was voordat hij Rachel leerde kennen al manager, producer en eigenaar van een platenlabel. Hij wist dus van de hoed en de rand, en kreeg steeds meer het gevoel dat het zijn plicht was de mega-talenten van zijn vrouw en schoonzus met een artistiek hoogstaande visie in de markt te zetten. “We wilden buiten de paden van de traditionele folk treden, en dat hebben we gedaan.” Hij ziet zichzelf vooral als de man die de ideeën die Rachel en Becky over muziek hebben, kan ‘vertalen’ naar de medemuzikanten. “We hebben bewust geen folkmuzikanten in dienst genomen. Wanneer een muzikant geen folk kan spelen, kan hij ook geen folkclichés spelen – iets wat we absoluut niet wilden.”

McNally vindt het een beetje gnant om over zijn rol in en zijn invloed op The Unthanks te spreken. Hij groeide op samen met Chris Price, de gitarist van de band, die een paar huizen verder bij hem in de straat woonde en nog steeds zijn beste vriend is. “Chris en ik verloren onszelf al heel jong in de platenverzameling van onze ouders. Naast folk vonden we daar ook veel jazz en progrock. Robert Wyatt en King Crimson behoren tot die paar progressieve acts die nu nog steeds geloofwaardig zijn. Natuurlijk hebben ze er ook vaak naast gezeten, maar dat krijg je wanneer je grensverleggend bezig bent. Ik hou in elk geval net zo veel van hun missers als van de platen die raak waren. Starless heeft bijvoorbeeld een prachtige melodie, een melodie die door toenmalig Crimson-zanger en -bassist John Wetton geen recht werd gedaan. Ik heb geprobeerd om in mijn arrangement die melodie wel op-timaal tot klinken te brengen.”


Eigenlijk is dat exact het geheim van The Unthanks: verholen schoonheid uit de oorspronkelijke habitat lichten en in een nieuwe leefomgeving laten stralen als nooit tevoren. Liefdewerk van twee zussen, een echtpaar en twee beste vrienden die zichzelf volledig ondergeschikt maken aan dat waar het om draait: het liedje zelf.

In het geval van Last deden zij dat op de plaatsen waar de liefde het makkelijkst stroomt – thuis of op andere vertrouwde plekken. De zangpartijen werden opge-nomen in de kast onder de trap van Huize Unthank. “Pal naast al mijn schoenen,” preciseert Rachel. “Mooier kan een vrouw het toch niet hebben?” De pianopartijen werden vastgelegd in de Snape Maltings Concert Hall, de plek waar McNally smoorverliefd werd op de akoestiek en de klank van de piano. En de akoestiek van de zaal in het kleine plaatselijke dorpshuis bleek zo overweldigend te zijn dat een strijkkwartet onder leiding van het vaste bandlid Niopha Keegan er klonk als een heel orkest.

Loftuitingen als ‘one of the true wonders of 21st century music’ gaan een beetje langs de zusjes Unthank heen. “We zingen niet omdat we vinden dat we fantastische zangeressen zijn,” benadrukt Becky. “We zingen omdat we de liedjes die we zingen heel graag willen zingen. Omdat ze gezongen móeten worden. We willen de verhalen van die liedjes vertellen: dat is onze focus. Wij zijn vertellers.”

Rachel: “Ik denk dat we een ernstige vorm van plankenkoorts zouden krijgen wanneer we onze focus zouden verleggen naar onszelf en onze stemmen. Om je de waarheid te vertellen: ik denk dat je ons dan ook nooit meer op een podium terug zou zien.”


The Unthanks: Last (Rabble Rouser/De Konkurrent).

Ruud Meijer