‘Ik ben behaagziek’

Micha Wertheim (38) is cabaretier, radiomaker, columnist en kinderboekenschijver. Hij grossiert in slimme grappen en dubbele bodems en heeft een hekel aan moraliseren. ‘Het liefst wil ik vertellen wat ik voel, maar dat is te groot.’

In 2004 won Micha Wertheim met glans het Leids Cabaret Festival, waarna hij door het land trok met zijn eerste solovoorstelling Micha Wertheim voor beginners. Landelijk bekend werd hij in 2008 tijdens zijn tweede tournee, Micha Wertheim voor gevorderden, door een incident in Roermond. Wertheim verdacht iemand in de zaal van mobiel bellen en plaatste een snedige opmerking. Maar het vermeende telefoontje bleek de spraakcomputer van een gehandicapte man. Na dat misverstand stak Wertheim een tirade af tegen gehandicapten, een vast onderdeel van de show. Hij noemde hen profiteurs die de westerse samenleving willen ontwrichten. Dat viel niet in goede aarde. De gehandicapte man verliet de zaal, waarna een groepje toeschouwers in opstand kwam tegen Wertheim, die zich gedwongen voelde de voorstelling stil te leggen. Toen de schouwburg in kwestie liet weten dat Wertheim er nooit meer welkom was, kwamen collega’s publiekelijk voor hem op, van Theo Maassen tot Wim Helsen.

Nu toert hij met zijn programma Micha Wertheim voor de zoveelste keer en hij heeft net een boek geschreven, Voor de grap.

Tijdens uw voorstelling in IJsselstein zag ik acht mensen de zaal voortijdig verlaten. Vindt u dat een goede score? “Het waren twee boze en zes vrolijke mensen, zag ik. Ik vind het niet erg dat mensen weglopen, als het maar niet uit onverschilligheid is. Al zolang ik bezig ben lopen er mensen de zaal uit, maar het worden er steeds minder. De mensen komen nu vaker speciaal voor mij. Tijdens mijn eerste voorstelling liep er veel publiek weg dat had gedacht: leuk, die jongen heeft het Leids Cabaret Festival gewonnen, laten we eens gaan kijken. Maar een deel van het cabaretpubliek houdt helemaal niet van wat ik doe.”


Wat onderscheidt uw shows dan van die van anderen?

“Veel mensen verwachten van cabaret dat het amusement is: dat ze alleen maar worden vermaakt, dat het niet ongemakkelijk mag worden. Ik vind het zelf juist spannend als er iets raars gebeurt op een avond; als ík naar een voorstelling ga, word ik ook graag in verwarring gebracht. Ik vind het leuk om te ontregelen, maar niet iedereen kan daar tegen. Mijn eerste voorstelling, Micha Wertheim voor beginners, was een parodie op geëngageerd cabaret. Ik vond het grappig om het soort cabaretier te laten zien dat ik juist níet wil zijn: iemand die zwelgt in slachtofferschap, die zijn publiek onderschat en pretendeert te weten hoe de wereld in elkaar zit. Niet iedereen begreep dat dat een parodie was.”

Kennelijk had u die mensen dan weer óverschat. Waar haalt u uw ideeën eigen-lijk vandaan?

“Mijn voorstellingen komen altijd voort uit iets wat ik concreet in mijn hoofd heb. Bij Voor beginners was dat mijn wantrouwen ten opzichte van het publiek, en hoe ik dat kan verdrijven. Bij Voor gevorderden dacht ik: nu denken ze vast dat ik arrogant ben, dan moet ik laten zien dat ik echt niet zo’n slimmerd ben. Zo kwam ik op het idee om in de voorstelling ‘uit de kast’ te komen en op te biechten dat ik geen genie ben. Micha Wertheim voorspecialisten gaat over de tijd dat ik kanker had; ieder grapje dat ik in die tijd bedacht, ging over die ziekte. Voor de grap is ontstaan doordat ik bij elk nieuwsfeit dacht: wat is de grap hiervan? Zo kreeg ik het idee om te praten over nieuwsblindheid en nieuwsverslaving. En het programma volgde zo snel op het Roermond-incident dat ik me genoodzaakt voelde het daar ook over te hebben, al had ik dat liever niet gedaan. En Voor de zoveelste keer komt voort uit mijn verwondering over het feit dat ik van het toeren ben gaan houden, terwijl ik aanvankelijk dacht: dat hou ik nooit vol, elke avond hetzelfde doen. Maar herhaling kan juist helend werken, heb ik ontdekt.”


In Voor de grap schrijft u dat satirisch theater, zoals cabaret, per definitie geëngageerd is. Leg eens uit.

“Er bestaat een grondig misverstand over wat engagement is. De heersende gedachte is dat je politieke misstanden aan de kaak moet stellen. Met als veronderstelling dat de cabaretier wel zal weten wat die misstanden zijn en waar het heen moet. In de praktijk is dat vaak niets anders dan de zaal bevestigen in zijn oordeel. Dat is een saai uitgangspunt. Volgens mij gaat engagement over de gespannen relatie tussen het individu en zijn omgeving. Een satiricus moet twijfel zaaien, geen meningen verkondigen of antwoorden geven; dat is de rol van de populist. Satirici zijn de beste stuurlui, op voorwaarde dat ze aan wal blijven.”

Hoe beslist u of een grap door de beugel kan of niet?

“Als cabaretier kun je op het podium een amoreel universum scheppen waarin alles kan, zolang je maar duidelijk maakt dat wat je zegt alleen geldt binnen die wereld. Ik vind dat je overal grappen over mag maken, zolang het maar goede grappen zijn binnen een context die klopt. Mijn uitgangspunt is: een grap deugt niet als ik hem niet zou maken als die of die in de zaal zit. Grappen liggen voor mij op de breuklijn van dingen die niet bij elkaarpassen.”

Geef eens een voorbeeld.

“Als je stelt dat groepsverkrachting een vorm van democratie is omdat de meeste stemmen gelden, is dat grappig omdat je vraagtekens zet bij het dogma van ‘meeste stemmen gelden’. Als een slachtoffer van groepsverkrachting daar de grap niet van inziet, komt dat niet doordat ik een harde grap heb gemaakt, maar doordat die persoon beschadigd is door iets buiten de voorstelling.”


In Voor de grap staat ook een interview dat Frénk van der Linden met u maakte voor Het Parool maar dat nooit in de krant kwam. Hoe zit dat?

“Frénk was niet tevreden met mijn antwoorden. Hij wilde een human interest-stuk schrijven dat ik veel te kort door de bocht vond. Vragen naar het oorlogsverleden van iemands ouders is natuurlijk makkelijk scoren. Ik begrijp best dat dat lekker leest – zelf ben ik ook een voyeur – maar ik geloof niet in de cultuur van slachtofferschap. Dáár wilde ik wel over praten, maar Frénk blijkbaar niet. Toen hij besloot het stuk niet uit te werken, dacht ik: laat ik het maar eens uitschrijven zoals ík het heb beleefd. Het is een mengeling van fictie en non-fictie, een leuke stijloefening.”

“Jouw probleem is dat je de regie niet uit handen durft te geven,” zegt Van der Linden. “Je doet alsof je bescheiden bent, maar uiteindelijk voel je je superieur.”

“Dat heeft hij niet echt zo gezegd. Ik geef Frénk de kans om mij in de hoek te zetten, omdat ik altijd wil eindigen met wat er niet deugt aan mezelf. Dat vind ik interessanter dan hem vertellen wat hij allemaal verkeerd doet. Het interview gaat over een thema dat in het hele boekje naar voren komt. Over in hoeverre je je publiek kunt vertrouwen of dat je het als vijand moet zien.”

De relatie met uw publiek is ook in uw programma’s een terugkerend thema. In Voor de zoveelste keer gaat u zelfs in therapie met de zaal om er vat op te krijgen. Bent u er inmiddels uit?

“Je vijand opzoeken is een manier om erachter te komen wie je zelf bent. Ik voel vaak wantrouwen ten opzichte van anderen en denk dan: wat willen jullie van me? Toen ik in Toomler begon, had ik regelmatig het gevoel dat mensen me uitlachten. Tot ik bedacht: o nee, dit is een comedyclub, ik heb net een grap gemaakt, ik kan het die mensen moeilijk kwalijk nemen dat ze lachen. Uiteindelijk moet je ze natuurlijk vertrouwen, anders heeft het geen zin op het podium te gaan staan. Maar een beetje wantrouwen kan geen kwaad.”


Is uw publiek een goed klankbord?

“Ik kan thuis verzinnen wat ik wil, maar ik realiseer me pas op het podium wat ik echt wil vertellen. Die tegenstand heb ik nodig, als een soort filter. Tijdens de try-outs gooi ik driekwart weg. Maar dat betekent niet dat het publiek beslist wat ik doe. De afweging maak ik zelf. Als de voorstelling eenmaal af is, verandert het spel. Dan gaat het erom hoe je met de groepsdynamiek omgaat. Eerst maak je één groep door iedereen aan het lachen te maken, en dan verdeel je die groep door twijfel te zaaien.”

In uw werk uit u opvallend vaak kritiek op uzelf, voordat een ander de kans krijgt. Als u het niet doet als Micha Wertheim, dan tovert u wel een alter ego uit uw hoge hoed.

“Ik vind het grappig en spannend om mezelf onderuit te halen. Dat is ook mijn werk. Ik leg mijn eigen twijfel op tafel. Als je zegt: ik weet het niet, kan niemand je erop pakken dat je niet eerlijk bent.”

‘Weet niet/geen mening’ dus. Dat is wel wat makkelijk.

“Ja, het heeft natuurlijk iets lafs, maar dat probeer ik te ondervangen door riskante gedachten aan te gaan, door het mezelf een beetje moeilijk te maken. Ik hoop wel dat wat ik doe niet alleen laf is… Probeert u te zeggen dat ik iets dicht-plamuur om mensen niet te laten zien waar het pijn doet bij mij?”

Zoiets ja.

“Als ik op het podium geëmotioneerd aan het publiek beken dat ik als kind drie minuten aandacht tekort ben gekomen, is dat een gestileerde vorm van iets wat bij mij speelt. Maar ik sta niet op het podium bij wijze van therapie. Kunst is voor mij een poging om uit het echte leven te verdwijnen. In het theater ben ik niet langer een speelbal van het lot. Daar houd ik op te bestaan, op zo’n manier dat ik macht krijg. In mijn eerste show speel ik als goochelaar met de grote verdwijntruc, mijn tweede show speelt zich af in een droom. Daarin besta ik ook niet. Ik kan niet duidelijk aanwijzen waar die behoefte om te verdwijnen of mijn pijn vandaan komt. Het feit dat mijn ouders een oorlogsverleden hebben, dat ik kanker heb gehad, dat ik een dierbare heb verloren? Het leven is voor iedereen een opeenstapeling van nare klappen, van mensen om je heen zien lijden. Het liefst wil ik op het podium vertellen wat ik echt voel. Maar dat lukt me niet, omdat het te groot is.”


Of omdat u zo handig bent met trukendozen, schijnbewegingen en bedrieglijke redeneringen?

“Dat gebeurt bij mij gewoon steeds weer. Ik vind het leuk maar ook confronterend om te zien dat ik steeds weer in metakringetjes terechtkom. Dat is blijkbaar mijn stijl. Daar zal ik me bij moeten neerleggen. Billy Collins heeft een gedicht geschreven over poezen en honden in de kunst. Het gaat over een dode hond die zijn baas komt vertellen hoezeer hij hem altijd heeft gehaat. Poezen gaan hun eigen gang, honden niet, omdat ze behaagziek zijn. Hun gekwispel komt voort uit angst om te doen wat ze zelf willen. Ik vrees dat ik met mijn grapjes meer de behaagzieke hond ben dan de onafhankelijke poes. Wat niet wegneemt dat ik blijf proberen minder behaagziek te worden. Zolang dat mislukt, heb ik een reden om een nieuwe voorstelling te willen maken.”

Micha Wertheim: ‘Voor de grap’ (dvd + boek). Het Micha Wertheim Genootschap. e15,99.

Speellijst ‘Voor de zoveelste keer’: www.michawertheim.nl.

Sacha de Rooij