Theo

Hij was helemaal geen voetballer, maar een artiest op noppen.

In de kern komt alle Theo Janssen-kennis die ik in de afgelopen tien jaar als een spons heb opgezogen neer op één zin: “Theo, dat is me d’r eentje.”

Theo Janssen maakte bij zijn entree in de voetbalwereld een licht onaangepaste indruk. Tijdens een jeugdtoernooi met een vertegenwoordigend elftal van de KNVB liep hij eens met zijn medespelers over de kade van het Zuid-Franse Toulon. Een ploeggenoot wees naar het water: “Kijk Theo, die vissen. Mooi man.” Waarop Theo de gevleugelde woorden “Ga ze dan maar effe van dichterbij bekijken” sprak en zijn teamgenoot in de Middellandse Zee zwiepte. Geintje.

Een week later werd het ‘incident’ breed uitgemeten in ’s lands wekelijkse voetbalbijbel, Voetbal International. Met een foto van Theo erbij. Hij bleek de reïncarnatie van Pietje Bell. En omdat de wereld voornamelijk bestaat uit Drogisten Geelman, kon eigenlijk niemand om Theo lachen. Hij werd zelfs geschorst door de KNVB, de Jozef Geelman onder de sportbonden.

Theo Janssen was helemaal geen voetballer, al wist toen nog niemand dat. Theo was een artiest op noppen, maar zoiets kenden ze bij de KNVB en VI helemaal niet.

In het begin refereerde er nog weleens een commentator aan zijn buik vol pilsjes van de avond ervoor. Of aan de sigaretjes waar hij maar niet van af kon blijven. En toen hij een jaartje in België ging spelen en vervolgens terugkeerde met een hoofd vol heimwee, gniffelden sommigen in hun vuistje.

Kan niet buiten Arnhem. En dat wil profvoetballer zijn – hij kan de gemeentegrens nog niet over zonder in de war te raken.

Die Theo, dat is me d’r eentje.

Over dichter Ingmar Heytze, die jarenlang het centrum van Utrecht niet uit kwam maar tegelijk prachtige poëzie produceerde, werd dat nooit gevraagd, of dat nou een kunstenaar moest voorstellen. Heytze was het nu eenmaal, einde discussie.


De ware kunstenaar streeft geen carrière na, maar houdt zich uitsluitend bezig met de productie van zijn kunst en het overmatig gebruik van genotmiddelen. Als er dan een loopbaan aan vastzit: prima.

Theo Janssen haalde zelfs het Nederlands elftal in een periode dat zijn buik nog zichtbaar over zijn voetbalbroekje bolde. Die buik liet hij mooi zitten; Theo was niet te beroerd minder begaafde spelers de kans te geven het verschil in talent weg te poetsen door zoiets banaals als fysieke conditie.

Zo is Theo. Dat is me d’r eentje.

Toen hij bij FC Twente ging spelen, vroeg Johan Derksen – de opper-Geelman – zich op televisie af of dat niet wat te ver voor m was, Enschede. Theo zweeg, nam een slok van zijn bier en dacht aan alle vrije trappen die hij nog van plan was in de bovenhoek te schilderen.

En hij besloot te gaan trainen, om de wereld een pleziertje te doen. De buik bleef in zweetdruppels achter in het krachthonk. Hij beschilderde zijn afgetrainde lijf met bloemen, spreuken en donkere vlekken. In de cafés op de Korenmarkt sloeg hij nu af en toe een rondje over.

Het was het begin van een transformatie.

De kunstenaar daalde af tot de stervelingen en sprak opeens over ‘resultaatgericht’, over ‘in dienst van het team’ en van ‘het gaat uiteindelijk om doelpunten’ – dat soort teksten. Opeens sprak Theo de taal van hen die gebukt gaan onder een tekort aan talent. Af en toe schopte hij nog weleens een vrije trap in de kruising, of vernederde hij een keeper met een geplaatste stift, for old times’ sake. Maar die professionaliteit, dat leiderschap, die tackles… De kunstenaar Theo was profvoetballer geworden.


Zondag stond Theo Janssen op de middenstip van de Amsterdam ArenA, de getatoetakelde armen in de zij. Het kampioenschap was zojuist verloren. Hij schudde zijn hoofd. Het was de pose van het onbegrepen genie. Gelukkig.

import frank heinen