Het droeve lot van het kamermeisje

De omgang met personeel in intieme situaties staat bol van de dubbelzinnigheid. IMF-topman Dominique Strauss-Kahn is niet de eerste die hierdoor in moeilijkheden raakte.

Niemand is zo vrij als de persoon die alleen (dus zonder metgezel) in een hotelkamer verblijft. Het hotel vormt een parallelle wereld die voorziet in alle directe levensbehoeftes, zonder de verplichtingen van thuis. Er is het enorme bed, de blinkende badkamer, de minibar, de televisie, en als je honger hebt, bel je roomservice. In de gladgestreken kamer bevindt zich niets wat in de verste verte aanstoot zou kunnen geven. De vloeren, gangen en trappen van het gebouw zijn gecapitonneerd met absorberende hoogpoligheid. Hotelgasten, tijdelijk verlost van dagelijkse beslommeringen als steggelen met gezinsleden, boodschappen doen of de hond uitlaten, kunnen het gevoel krijgen dat ze tussen haakjes leven, gewichtloos zwevend als heer en meester boven het zwoegende gepeupel daar beneden.
Natuurlijk zitten mensen doorgaans met een missie in een hotel: voor zaken, besprekingen of conferenties, maar in de vrije tijd buiten die zakelijke verplichtingen om dragen de anonimiteit en de luxe van hun omgeving bij tot verveling en onbestemde broeierigheid. Wie losgezongen is van zijn dagelijkse omgeving zingt zichzelf ook makkelijker los van routinematige braafheid. Wat te doen met die in de schoot geworpen vrijheid?
Vandaar dat de alcoholische nazit in de hotellobby na een lange vergaderdag in het buitenland altijd veel langer duurt dan zomaar een borrel van het werk. Vandaar het nachtelijk getrippel over hotelgangen van de ene naar de andere kamer, de opgewonden sms’jes tussen conferentiegangers en het gespijbel dat toeneemt naarmate de conferentie langer duurt.

Het moderne, luxe hotel heeft in zijn opzet veel weg van een kasteel: in de behoeften van kasteeleigenaren (hotelgasten) wordt efficiënt en discreet voorzien door een legertje domestieken die koken, wassen, schoonmaken en serveren. Zonder personeel kun je geen hotel en geen kasteel draaiende houden. De meest geprononceerde vertegenwoordiger van het personeel is ongetwijfeld het kamermeisje: de belichaming van jeugdige vrouwelijkheid en intimiteit. Alsof dit beroep onmogelijk door oude vrouwen of door mannen kan worden uitgeoefend. Vrouwelijk is het beroep tot op de dag van vandaag, zij het dat je er niet jong voor hoeft te zijn. Hoe armer het land, hoe meer oude vrouwen zich genoodzaakt zien een baantje als kamermeisje te nemen. Verder heeft Arnon Grunberg laten zien dat ook mannen prima de rol kunnen vervullen. Een paar jaar geleden trad hij voor enkele weken in dienst als kamermeisje in een Oostenrijks hotel en schreef over zijn ervaringen een serie reportages in NRC Handelsblad, later gebundeld in het boek Kamermeisjes en soldaten. De serie bevatte bijzonder interessante observaties, waarvan mij vooral de ongelooflijke smerigheid van wat hij zoal tegenkwam is bijgebleven.

Lees het gehele artikel in de HP/De Tijd van deze week.

Beatrijs Ritsema