Lak aan de hoeksteen

Alle meningen over alternatieve gezinsvormen zijn oninteressant en gratuit.

Er bestaan meningen en er bestaat gedrag. Naar beide fenomenen kun je onderzoek doen, en altijd weer valt op hoeveel minder interessant de onderzochte meningen zijn vergeleken met het onderzochte gedrag. Neem het recente Gezinsrapport 2011 van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). ‘Eenoudergezin kampt met slecht imago’, haalt Trouw hier als belangrijkste bevinding uit naar voren en: ‘Bevolking lijkt conservatiever’. Hoe nu? Worden eenoudergezinnen stiekem nagewezen en zwartgemaakt door zelfvoldane aanhangers van het huisje-boompje-beestjeconcept? Drukken Nederlanders ineens collectief de mythische jaren vijftig aan hun borst?

Welnee. Het enige wat het SCP heeft opgespoord is dat heden ten dage driekwart van de Nederlanders meent dat kinderen beter af zijn met twee ouders in huis dan met één, terwijl tien jaar geleden slechts 66 procent er zo over dacht. We hebben hier te maken met een toename van maar liefst negen procent conservatisme! Nog even en de gevreesde man die het vlees snijdt maakt een comeback. Dat is althans de associatie die het woord ‘conservatisme’ oproept. Hoogleraar Aat Liefbroer, een van de auteurs van het rapport en door Trouw om een toelichting gevraagd, geeft niet bepaald geruststellend commentaar op deze trend. “Mogelijk is er een bovengrens in de tolerantie bereikt,” sombert hij. Inwoners van Scandinavië zijn ruimdenkender over alternatieve gezinsvormen. Binnen de Europese landen neemt Nederland een middenpositie in en is volgens het SCP ‘zeker geen gidsland op dit gebied’.

Kennelijk is er sprake van een wedstrijd, waarbij de prijs voor ruimdenkendheid naar Scandinavië gaat en Nederland zich een fletse middenmoter betoont. En dat terwijl nog maar tien jaar geleden wíj degenen waren die ons met het fiere banier ‘gidsland’ mochten tooien en de rest van de wereld lieten zien waar de toekomst lag. Maar waar gaat die wedstrijd eigenlijk over? De Nederlandse bevolking krijgt onder uit de zak van het SCP, omdat ze er conservatievere meningen op nahoudt dan eind vorige eeuw. De meerderheid vindt nu dat een gezin met twee ouders een betere achtergrond vormt voor kinderen om in op te groeien dan een eenoudergezin. Tien jaar geleden vond men dat ook, maar toen was er een grotere minderheid die geen verschil zag: twee ouders, een ouder, gescheiden ouders, stiefouders – allemaal een pot nat. Deze geen onderscheid makende (niet-discriminerende) mening geldt als progressief en krijgt daarmee een stempel van goedkeuring: mensen die dit vinden, zijn tolerant en ruimdenkend. Dat impliceert dat de conservatieve mening dan intolerant is, benepen en afkeurenswaardig.


Behalve op de dimensie conservatief-progressief is een mening natuurlijk ook te toetsen aan de werkelijkheid. Bestaat daarmee een klein raakvlakje of slaat ze gewoon nergens op? De stelling dat het niet uitmaakt voor een kind of het nu met één of met twee ouders opgroeit, valt niet overeind te houden. Er is eenvoudig te veel onderzoek dat nadelige gevolgen van het eenouderschap aantoont. Dat onderzoek is trouwens niet eens nodig om de stelling af te wijzen. Om te beginnen is er een gezinnetje met twee liefhebbende ouders, en dat alle variaties daarop (echtscheiding, dood van een ouder, bewust alleenstaande moeders) ook best tot geluk kunnen leiden, maakt die variaties niet minder tot tweede keus. Het is raar om die rangorde te ontkennen en nog raarder om degenen die de rangorde onderschrijven voor intolerant te verslijten.

Alle meningen over alternatieve gezinsvormen en de bijbehorende imago’s die door bezorgde autoriteiten moeten worden opgekrikt, zijn oninteressant, gratuit en nietszeggend. Ondanks de toename van conservatieve meningen over het gezin gaan Nederlanders gewoon door met echtscheiden, in hun eentje kinderen krijgen, stiefgezinvorming en wat niet al. De meningen in dezen doen er niets, maar dan ook helemaal niets toe.

import beatrijs ritsema