De meester en de dode mus

Karakteristieke scène in The Tree of Life: een boomblad ligt enkele seconden roerloos op een trottoir en wordt dan meegenomen door de wind. Regisseur Terrence Malick is verzot op zulke beelden. De nerven van een blad, een rimpeling in het water, het wiegen van een tak, druppels die over bladeren glijden… de camera zit er bovenop. Eens in de zoveel jaar rukt Malick met groot materieel uit om de schepping in al haar finesses vast te leggen.

Het meest pregnante beeld dat me in The Thin Red Line – over Amerikaanse soldaten die in de Tweede Wereldoorlog een eiland in de Pacific veroveren – is bijgebleven, waren de eindeloze heuvels met wuivend gras. Malick zou er ongetwijfeld van beschuldigd zijn een trucje te gebruiken als hij productiever zou zijn. The Tree of Life is echter pas zijn vijfde film in een kleine veertig jaar. Hij benutte de periode 1978-1998 doodleuk voor een twintigjarige sabbatical.

Cinefielen hunkeren naar een nieuwe Malick zoals fanatieke schaatsers naar een Elfstedentocht. Grote sterren staan in de rij voor een rolletje (Malick gebruikte John Travolta en George Clooney als figuranten in The Thin Red Line). Ook vakgenoten en critici lopen met hem weg getuige (onder meer) de Gouden Palm die hij twee weken geleden won op het festival van Cannes.

Dat laatste heeft me eerlijk gezegd een beetje verbaasd. Niet omdat The Tree of Life geen indruk zou maken. De film brengt de belevingswereld van een kind op onnavolgbare wijze tot leven en slaagt er geruime tijd in de toeschouwer te hypnotiseren.

The Tree of Life bevat echter ook beelden die welhaast potsierlijk aandoen. Malick probeert leven en dood in een gezinnetje (micro) te verbinden met God en het universum (macro). Dat vereist een bijzondere verbeeldingskracht.

Stanley Kubrick beschikte daarover toen hij in de openingsscène van 2001: A Space Odyssey honderden eeuwen menselijke ontwikkeling in één verpletterende (zeven minuten lange) openingsscène wist samen te vatten. Malicks gebruik van het grote gebaar komt minder uit de verf. In zijn poging het wereldraadsel op te lossen werpt de regisseur vulkanen, oersoep, oceanen, dinosauriërs, watervallen, ravijnen en wolken in de strijd. Alles gemonteerd in een associatieve Koyaanisqatsi-achtige stijl en overdadig gelardeerd met Malicks handelsmerk: ruisende bladeren en wuivend gras. Zet er een ijle zangstem onder en laat zo nu en dan een fluisterstem de woorden ‘moeder’ en ‘broer’ uitspreken en het lijkt heel wat.


Bij het beeld van Sean Penn die in een woest en ledig landschap door een poort stapt, bekroop me echter het gevoel naar een parodie op een diepzinnige film te kijken.

Jammer, want op een ander niveau schiet Malick wél raak. De indringende beelden waarmee hij de spanningen tussen een tirannieke vader (Brad Pitt) en een opstandige zoon (Hunter McCracken) weet te verbeelden, maken indruk.

De manier waarop geluk, verdriet, onmacht, kattenkwaad, woede en verbazing in een gezin worden geportretteerd, leveren nu net de magie op die alle visuele bombast ontbeert. Het resultaat is een mismaakt meesterwerk.

The Tree of Life. Regie: Terrence Malick. Vanaf 2 juni in de bioscoop.

Erik Spaans