Haagse taferelen

Twee maal werd ik afgelopen week herinnerd aan de bijna tien jaar dat ik zelf in politiek Den Haag rondliep als verslaggever. De eerste keer toen Mladic werd opgepakt en we met z’n allen terug gingen naar het inktzwarte jaar 1995, de val van Srebrenica, en het overigens ook tumultueuze jaar 2002, waarin eindelijk het NIOD-rapport af was over de rol van Dutchbat bij die massaslachting. Het kabinet-Kok trad ernstig kijkend af, erkende wel verantwoordelijkheid, maar geen schuld en… Enfin, veel van die Haagse woorden waarvan je je altijd afvraagt welke gemeend zijn en welke niet.

De tweede keer dat ik aan mijn Haagse tijd werd herinnerd, was in overleg met verslaggever Frans van Deijl over zijn verhaal over Job Cohen, dat deze week de cover van HP/De Tijd heeft gehaald. Het is voor velen al langere tijd zonneklaar dat de positie van de PvdA-leider geen gemakkelijke is. Hij is naar Den Haag gekomen om premier te worden; de rol van oppositieleider past hem niet. Maar tot nog toe leek zijn disfunctioneren meer een probleem voor de toeschouwers dan voor de betrokkenen. Elke rondgang langs ingewijden en partijgenoten op het Binnenhof stuitte op een gesloten front van optimistische geluiden. ‘Komt wel goed, wacht maar af,’ was het parool.

Nu echter was Van Deijl op een aantal zeer belangrijke PvdA’ers gestuit die van hun hart geen moordkuil meer wensen te maken. Het wachten heeft kennelijk lang genoeg geduurd. Maar geen van deze belangrijke PvdA’ers wilde ook maar één woord on the record kwijt. Dat is een oud Haags probleem. Je praat als goed ingevoerd verslaggever met alle politici, maar wanneer ze iets te vertellen hebben dat er écht toe doet maar nogal pijnlijk ligt, mag je hun naam niet vermelden. Het is vervolgens aan de verslaggever – en uiteindelijk zijn hoofdredacteur – om de afweging te maken een verhaal met anonimi te publiceren. We weten dat deze week vele politici in Den Haag zullen beweren dat zij niet de bron van Van Deijls verhaal zijn. Wij, en u nu ook, weten wel beter.

Frank Poorthuis