Over een jongen

Wie schrijft over verdriet, maakt dat al gauw te groot, zodat het zwelgen wordt in leed. A.F.Th. van der Heijden doet dat in de roman over zijn overleden zoon gelukkig niet. Tragikomische noten houden het verhaal in evenwicht.

Het verlies van een kind, zeker als het je enige is, is zonder concurrentie de grootste nachtmerrie van iedere ouder. Welke ouder kent niet de plotselinge schrik die overgaat in een vlammende steek van angst wanneer hij wordt overvallen door de gedachte dat er iets vreselijks met zijn kind is gebeurd? Zoiets kan ineens optreden terwijl je langs een school fietst, of zittend op een bankje waar vlakbij een paar kinderen eendjes voeren.

A.F.Th. van der Heijden en zijn vrouw, die hun enige kind verloren, schrijft in Tonio – Een requiemroman dat deze werkelijkheid veel erger is dan een nachtmerrie. Een nachtmerrie is, zoals bijna elke droom, nog enigszins te sturen. Al doe je het met een kreet of badend in het zweet, er komt altijd een einde aan. Maar aan het wrede besef echt een kind te hebben verloren, komt nooit een einde. Het ontroostbare gevoel van verlies wordt in de loop der jaren alleen maar erger en zal pas verdwijnen op het moment van je eigen dood.

Tonio is de naam van hun enige zoon, die op die onbewaakte ochtend in mei tegenover het Amsterdamse casino – nabij het Max Euweplein en de Hein Donnerbrug – werd doodgereden door een iets te snel rijdende auto. Maar de chauffeur had niet gedronken, wat niet gold voor Tonio, die wel degelijk een paar biertjes te veel op had, zodat op de schuldvraag geen enkelvoudig antwoord was te geven.

Een jaar na deze dramatische gebeurtenis heeft Van der Heijden een ‘requiemroman’ gepubliceerd over Tonio, ruim 650 pagina’s dik; tussen al het verdriet en de daarbij behorende plichtplegingen moet hij gemiddeld zo’n twee pagina’s per dag over zijn zoon hebben geschreven. Indrukwekkend, maar nog altijd beduidend minder dan de acht pagina’s per dag die A.F.Th. zegt te schrijven als hij werkelijk op dreef is.


Op de omslag wordt expliciet het woord ‘roman’ gebruikt, maar wij weten dat de jongen echt heeft bestaan en dat Tonio zijn echte naam is. Hij woonde niet ver van mij vandaan. Ik heb hem weleens voorbij zien fietsen. Zijn vader heeft ons bovendien per advertentie in de krant op de hoogte gesteld van Tonio’s levenseinde. Wat er precies fictie is in deze requiemroman, zou ik niet durven zeggen, maar voor mij zijn de personages griezelig echt. Ze worden doorgaans ook bij hun ware namen genoemd. Wat in de roman wordt beschreven, wist ik al uit het stadscircuit; je zou het zelfs een déjà vu kunnen noemen. Wat nieuw is, is de stijl. Nog altijd overdadig, maar toch ingetogener dan in de meeste van Van der Heijdens boeken.

Meer down to earth, zou ik bijna zeggen.

Dat is bewust gedaan. Het enige ironische grapje dat Van der Heijden zich in Tonio permitteert, staat op pagina 245, als de schrijver zojuist in Het Parool een berichtje heeft gelezen over het ongeluk. ‘Ziedaar,’ zegt hij tegen zijn vrouw, ‘het verhaal van onze schitterende jongen in enkele regels. Er zijn literatuurcritici in Nederland die vinden dat ik aan een dergelijke compactheid een voorbeeld zou kunnen nemen.’

Voor een criticus is het een beetje een ondankbare taak om zo’n boek te recenseren. Negatieve kritiek kan de nabestaanden extra hard treffen, en dat ga je toch liever uit de weg. Aan de andere kant heeft de schrijver zich met de keuze van het onderwerp kwetsbaar opgesteld. Bij elk boek nodigt de schrijver de criticus uit hem recht in het gezicht de waarheid te zeggen. Zo is min of meer de afspraak, zelfs als de schrijver bezweert dat hij met al die kritieken zijn gat afveegt.


Dit gezegd zijnde, kan ik alleen maar toegeven dat ik Tonio in één ruk heb uitgelezen. Of dat uit sensatiezucht is geweest of uit literair genoegen zou ik niet één, twee, drie weten, en eigenlijk doet dat er ook niet zo veel toe. A.F.Th. heeft de neiging zich met allerlei, steeds wijzigende formuleringen te herhalen, maar hier hebben deze herhalingen een duidelijke functie: die van de verwerking van het leed. Dat begrijpt de lezer onmiddellijk en in plaats van al die herhalingen af te wijzen, wordt hij daarin meegesleept.

De dood van een kind kan gemakkelijk leiden tot een larmoyante litanie, maar die weg is Van der Heijden niet gegaan. Zeker, af en toe had ik de neiging om de getroffen schrijver en zijn vrouw een pannetje soep te brengen, vooral bij die vele beschrijvingen waarin zij beiden in huilen uitbarsten en weer naar de fles grijpen. Toch weet de schrijver zich steeds te ontworstelen aan het gevoel dat alles zinloos is, zelfs het schrijven. Als een ware schrijver legt Van der Heijden zich beperkingen op in het idealiseren van zijn zoon. Bij minder standvastige types zou Tonio zijn uitgegroeid tot een half genie wiens grote toekomst door het noodlot werd verwoest, maar bij A.F.Th. blijft hij een lieve jongen, die niet zonder talent maar ook met weinig ambitie door het leven rolde.

Ook sentimentele zoetsappigheid heeft Van der Heijden weten te vermijden. Soms ademen zijn beschrijvingen een bijna kwaadaardige wreedheid, en dan doel ik vooral op zijn relatie met zijn hysterische schoonmoeder, die wordt neergezet als een tragisch slachtoffer met een eerstegeneratiesyndroom. Het is misschien vreemd om te zeggen, maar niet Tonio is in deze roman het meest interessante personage, maar al die anderen die als kleine satellieten om hem heen cirkelen. De schoonmoeder speelt weliswaar geen hoofdrol, maar de voortdurende dreiging dat zij enkel door haar aanwezigheid het laatste restje waardigheid zal vernietigen, tilt dit boek naar een hoger plan.


Na de dood van Tonio dreigt de schoonmoeder voortdurend met zelfmoord, in een poging al het verdriet voor zichzelf op te eisen. Voortdurend is haar omgeving in de weer met het niet opnemen van de telefoon, het veranderen van het nummer en het vermijden van elk contact. Deze tragikomische noot, met de nadruk op tragisch, geeft de roman een even obsessief als paranoïde karakter. Precies wat je als lezer nodig hebt om zo’n zwaar onderwerp dragelijk te maken.

Praktisch aan het eind van het boek citeert Van der Heijden een uitspraak die Mulisch een keer heeft gedaan tijdens een etentje van de Herenclub. Ik was erbij, dus ik weet ongeveer onder welke omstandigheden die opmerking is gemaakt. Toen Mulisch te horen kreeg dat een collega-schrijver bij een auto-ongeluk om het leven was gekomen, zei hij spontaan: ‘Geen talent!’

De andere aanwezigen moesten daar bijzonder om lachen. Van der Heijden neemt het bon mot van Mulisch wel erg serieus op en probeert zelfs aan te tonen dat door de dood van zijn zoon zijn eigen schrijverschap nu ook is beëindigd wegens gebrek aan talent. Alles is kapot, er zal nooit meer iets van terechtkomen.

Ik zou tegen hem willen zeggen: ‘Kop op, Adri. In het verleden heb ik misschien niet alles wat je schreef even mooi gevonden, maar Tonio is een geweldig boek.’

A.F.Th. van der Heijden: ‘Tonio – Een requiemroman’. De Bezige Bij. Gebonden € 29,50; paperback € 23,50. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

Max Pam