Een goed gesprek met Paul Haenen & Boris van der Ham

Hoe lang zit je in de Tweede Kamer?

“Sinds 23 mei 2002, dus nu precies negen jaar.”

Is dat nog niet te lang?

“Nee. Ik dacht altijd wel: hoe zou je er na acht jaar uitzien als je er dan nog zit? Maar ik vind het nog steeds heel boeiend. Ook omdat er zo onsterfelijk veel veranderd is in de Tweede Kamer. Toen ik er voor de eerste keer kwam, in 1997, zat ik bij de Jonge Democraten, de jongerenorganisatie van D66. Toen kon je nog met een linnen stickertje binnenwandelen, en nu moet je langs allerlei terrorismepoortjes en eindeloze sluizen. Het is fysiek anders geworden, maar de politiek is natuurlijk ook heel erg veranderd de afgelopen negen, tien jaar. En het rare is: omdat de omloopsnelheid van Kamerleden zo hoog is, behoor ik met mijn negen jaar tot de vijftien, zestien langstzittende Kamerleden. Dus zo snel gaat dat. Er moet een goed evenwicht zijn tussen vernieuwing en mensen die wat langer zitten.

“Kamerlid zijn blijft boeien omdat je wetsvoorstellen moet behandelen en de regering controleren, maar daarnaast kun je ook met eigen initiatieven en wetsvoorstellen komen. Zolang je die drive nog hebt, moet je vooral blijven. En ik vind het ook wel een eer – dat klinkt een beetje klef – om volksvertegenwoordiger te zijn. Bij de laatste verkiezingen ben ik met voorkeursstemmen gekozen; dat geeft ook een extra kick om door te gaan. Omdat je mensen daadwerkelijk vertegenwoordigt.”

Ken je alle namen van de Kamerleden?

“Nee, ben je gek. Toen ik in de Kamer kwam, werden er zeventig nieuwe mensen geïnstalleerd, en in 2003, 2006 en 2010 ook ongeveer zo veel. Soms zie je mensen lopen en denk je: is dat nou een medewerker of een journalist? Dan blijkt het ineens een Kamerlid van de SP of van de PVV te zijn. Of van het CDA. Dus nee, ik ken ze niet allemaal bij naam. Ik hoop ze nog dit jaar allemaal van gezicht te kennen.”


Is het slecht voor de democratie, die grote wisselingen?

“Toen ik in de Kamer kwam, ging de discussie erover of Kamerleden niet veel te lang bleven zitten, waardoor alles een beetje stroperig werd. Maar dat is voorbij, nu is er een ander probleem: dat de wisselingen soms te snel gaan. Dat heeft voor een deel te maken met de verkiezingen. Kiezers maken partijen heel groot, en ineens zijn ze helemaal weg. De LPF, dat was een heel grote partij, haalde 26 zetels. Twee verkiezingen later waren ze weg. Helemaal weg. Dat doet de kiezer en dat heeft te maken met de stand van het land. Nederland is ongelofelijk in debat met zichzelf en wisselt vaak van mening en van strategie. Het parlement weerspiegelt dat.

“Is dat goed voor Nederland? Ik vind het niet goed dat het van de hak op de tak gaat. Maar aan de andere kant weet je pas over twintig jaar of we wat gehad hebben aan deze periode van veel debat, heftige taal, ruzie en vloeken; niet alleen in het parlement, maar ook daarbuiten. Deze periodes hebben we wel eerder gehad, en misschien hebben Nederlanders dat wel nodig, dat iedereen elkaar ontzettend de maat neemt en zich ontzettend uitspreekt. Misschien is die clash nodig om weer een beetje verder te komen. Ik weiger daar cynisch over te zijn. Ik ben volksvertegenwoordiger, ik zit in de Tweede Kamer – ik kan er ook wat aan doen en probeer er een goede draai aan te geven.”

Je hebt natuurlijk ook momenten dat je naar de Kamer moet terwijl er bij jou persoonlijk iets speelt.

“O ja, zeker. Mijn moeder en mijn vader zijn allebei overleden. Mijn moeder drie jaar geleden, mijn vader vier jaar. En ook, nou ja, goed… Mijn relatie is ook na een heel lange tijd op de klippen gelopen. Dus dan…”


Hoe lang had je een relatie?

“Elf jaar.”

Hoe liep dat op de klippen?

“Nou ja, het is allemaal te vers om daar dingen over te gaan zeggen. Want anders ga je al helemaal…”

O, het is nog vers.

“Ja, het is nog vers. Te vers.”

En onherstelbaar op de klippen?

“Dat denk ik wel, ja. Daar heb ik veel verdriet van gehad, maar er komen ongetwijfeld ook weer mooie, nieuwe dingen die ook wel weer heel waardevol zijn.”

Dan ben je dus kapot en ga je naar de Tweede Kamer. Op welk moment pak je je vak weer op?

“Het kan ook wel een uitvlucht zijn hè, dat je denkt: ik ga nu heel erg doorvoeld dit debat doen, en dan lukt dat ook wel. En het werk is fantastisch. Maar met kleine dingen, als er iets heel lulligs speelt, kun je ook makkelijker denken: sodemieter op. Je relativeert. Je haalt makkelijker je schouders op.”

Laat je dan ook dingen schieten, als je persoonlijke problemen hebt?

“Nee, dat niet. Maar als je iets meemaakt, moet je wel de tijd nemen om het een plek te geven. Je bent iets aardiger voor jezelf, neemt gas terug. Maar je werk is zo’n onderdeel van je leven, en je leven is ook zo’n onderdeel van je werk, dat dat allemaal door elkaar kan lopen. Maar ik kan emoties wel goed scheiden van werk. En ik ben ook wel iemand die zich, als een Baron von Münchhausen, goed aan zijn eigen haar uit het moeras naar boven kan trekken. Symbolisch dan, want zo veel heb ik niet meer.”

Hoe is dat haar er eigenlijk afgegaan?

“Toen mijn kaalheid zijn intrede deed? Ik was geloof ik zeventien, toen ik in Krakau in de spiegel keek en dacht: hé, mijn kruin! Wat gebeurt daar? Dat was het eerste moment dat ik merkte: ik ga kaal worden! Sindsdien is het bergafwaarts gegaan; met begin twintig was ik al behoorlijk kaal. Eigenlijk niet kaal, maar het haar was wel behoorlijk dun. Toen heb ik het maar heel kort gemaakt.”


Hoe lang duurde het eer je dat kon aanvaarden?

“Niet zo lang eigenlijk. Ik dacht: ik kan er niets aan doen. Toen ik die inhammen opmerkte, trapte ik wel even tegen een deur, maar daar is het wel bij gebleven. Ik vind het ook wel grappig dat mannen van mijn leeftijd nu langzaam kaal beginnen te worden. Richting veertig. Als een soort prelude van hun midlifecrisis – die ben ik al voorbij.”

Laten we het over homo-mensen hebben. Denk je dat discriminatie ooit totaal tot het verleden zal behoren?

“Het punt is een beetje wat je accepteert. Kijk, volgens mij zijn we in Nederland behoorlijk ver, we accepteren dat mensen een andere seksuele voorkeur hebben. Ook bij hetero’s is er veel meer diversiteit. Ongehuwd samenwonen, open relatie, noem maar op. Eigenlijk zijn homo’s en hetero’s even divers. Je hebt ze burgerlijk, huisje-boompje-beestje, met al dan niet geadopteerde kinderen en je hebt de meneer, of de mevrouw, die op een extravagante boot in een string staat te dansen. Hetero’s doen dat bij de Love Parade, homo’s bij Gay Pride. Die verscheidenheid is fantastisch. Mag je je aan die extravagantie ergeren? Ja dat mag, en omgekeerd. ‘Wat is dat vulgair’ of ‘Wat is die truttig.’ Maar twijfel aan iemands recht om die keuzes te maken, dat is dat schandelijk. Ik ben woordvoerder onderwijs en ik weet dat er nog steeds scholen zijn die op streng-religieuze gronden zeggen: wij willen geen praktiserende lesbienne als docente. Dan kun je zeggen: hoeveel praktiserende lesbiennes zullen nou op zo’n school les willen geven? Inderdaad niet heel veel. Maar dat de wet dat die scholen toestaat, werpt een schaduw op de samenleving die veel groter is. Dat er nog steeds trouwambtenaren zijn die huwelijken tussen twee mensen van het gelijke geslacht weigeren uit te voeren, is ook zoiets. De wereld zou te klein zijn als zo’n ambtenaar zou zeggen: ‘Nee, twee donkere mensen, die trouw ik niet. Een jood of een moslim, die komt er bij mij niet in.'”


Ambtenaren horen in hun werk geen moreel oordeel te hebben?

“Dat iemand op zo’n school iets vindt van lesbiennes of ongehuwd samenwonen, dat mag. Zoals je ook een moreel oordeel mag vellen over een man die elke avond een andere vrouw mee naar huis neemt. Alleen, die morele oordelen moeten niet leiden tot wetgeving, tot het recht om op iemands vrijheid in te breken.”

Wat moet er gebeuren?

“Liberale partijen bieden in het debat over moraliteit soms te weinig tegenwicht. Ik ben voor vrijheid en vind dat je niet alles in een wet moet zetten. Dat ontslaat je niet van de verplichting om buiten de wet een debat te voeren over moraliteit. Veel liberalen gaan dat debat uit de weg. Maar je kunt soms ook een moreel oordeel hebben, als liberaal, over andermans gedragingen. Waarom mag je niet zeggen dat bepaalde opvattingen van een religie erg vrouwonvriendelijk zijn, of het nou heel orthodox-christelijk is of heel orthodox-islamitisch? Ik ben niet voor een algemeen boerkaverbod, omdat het domweg technisch heel lastig is vast te stellen of het iemands persoonlijke keuze is of dat ze wordt gedwongen. Maar heb ik een moreel oordeel over de boerka? Ja, nou en of! Dat vind ik verschrikkelijk, een boerka. Dat vind ik echt verwerpelijk. Maar gaat dat vervolgens leiden tot een wet, waarmee je iemand het recht ontneemt er een te dragen? Daar moet je behoorlijk mee uitkijken.

“Ik wil zegen: er is meer dan de wet. Liberalisme of vrij denken is geen vrijblijvendheid, hè. Vrijheid moet je ook bevechten. Los van wat je in een wet zet, moet er wel publiek debat plaatsvinden. Ik vind het bijvoorbeeld heel gek dat de humanistische organisaties, bijvoorbeeld het Humanistisch Verbond, zich niet veel meer mengen in maatschappelijke debatten. Je hoort ze niet. Ik ben zelf opgevoed in een vrijzinnig protestantse kerk, een remonstrantse kerk. Ik ben niet gelovig, maar ik vind dat nog steeds een fantastisch voorbeeld van religieuze mensen die juist wel tolerant en modern zijn: ze gaan heel open om met hun opvattingen. Ook die geluiden wil ik veel meer horen. Laat zien dat religie niet alleen maar de extremiteiten van het spectrum zijn, maar dat het ook vrijzinnig en open kan. Die mensen staan dichter bij mij dan sommige radicale seculiere groeperingen die op hun manier mensen de mond willen snoeren. De vrijzinnige mensen moeten zelfverzekerder zijn, zich veel meer uitspreken en het debat aangaan.”


Je bent heel bevlogen. Hoe kom je tot rust eigenlijk? Hoe krijg je de hersens kalm? Wat doe je als je thuiskomt?

“Dan ga ik slapen, vooral. Of niet. Ik heb een paar heel goede vrienden en die zijn er ook – of misschien wel juist – in moeilijke tijden. Of moeilijke tijden… Het is alweer wat minder moeilijk dan eerst. Dat is fantastisch. Met hen ga ik varen in Amsterdam of naar het theater. En ik sport de laatste tijd weer heel veel. Zwemmen en dat soort dingen.”

Slaap je goed?

“Over het algemeen wel, ja.”

Op welke momenten slaap je dan niet?

“Als je net uit een relatiecrisis komt, slaap je niet zo goed. Maar nu wel weer, ja.”

En na zware debatten in de Kamer?

“Slaap ik ook.”

Hoe slaap je dan?

“Hoe ik slaap?”

Ja. Val je meteen in slaap?

“Nee, ik kijk vaak eerst een comedyserie op dvd. Zeker als ik gespannen ben, heb ik behoefte aan lachen, liefst heel hard. Dan wil ik niet naar een thriller kijken.”

En dat lukt ook?

“Absoluut. Dat is heel fysiek hè, lachen. Dat middenrif trilt helemaal los. Dat is echt fantastisch, ik kan het iedereen aanbevelen. Daar heb je geen pillen voor nodig.”

Ook in je eentje?

“Jazeker. Ik kan in mijn eentje heel hard lachen.”

Het is goed toeven in restaurant d’theeboom. Door de prettige ambiance kun je niet alleen van het eten genieten maar krijg je ook de neiging om het achterste van je tong te laten zien.

Boris begon met een grove mosterdvelouté, nam als hoofdgerecht parelhoenborst en eindigde met kaneelijs met amarenakersen. Ik nam asperges met wilde zalm, kalfsmedaillon, en bladerdeeg met aardbeien en sorbet toe. Vriendelijke bediening en een uitstekende keuken. d’theeboom krijgt negen HP’tjes.

import aan tafel