‘Opera is mijn eerste liefde’

Dirigent Mariss Jansons mag dan een workaholic zijn, zijn broze gezondheid dwingt hem tot keuzes. Dus sluit hij niet uit dat hij het Concertgebouworkest zal verruilen voor een operagezelschap. Zeker gezien de dreigende cultuurbezuinigingen. ‘Is het hier soms Griekenland? Is het land failliet?’

Voor het eerst in zijn drukke leven is Mariss Jansons (68), de chef-dirigent van het Koninklijk Concertgebouworkest, een jaartje met sabattical en wat doet hij? Hij dirigeert. Deze maand in het Muziektheater, waar het Koninklijk Concertgebouworkest plaatsneemt in de orkestbak voor Tsjaikovksi’s opera Jevgeni Onjegin. Zijn frle gestalte breekt bijna onder het gewicht van zijn lach. Hij ziet er zelf ook de humor wel van in, maar hij kan zijn orkesten in München en Amsterdam toch geen jaar in de steek laten?

“Aanvankelijk wilde ik een jaar helemaal niet werken, maar dat kon ik voor mezelf niet verantwoorden. Uiteindelijk kwam er een compromis uit. Ik doe dit jaar geen tournees; niet met het Koninklijk Concertgebouworkest en niet met het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks.” Want ook van dat laatste gezelschap is Jansons chef-dirigent.

In de internationale pers werd meteen druk gespeculeerd of de sabbatical soms te maken heeft met zijn broze gezondheid. “Onzin,” zegt Jansons. “Ik voel me prima en energieker dan ooit. Maar na al die jaren hard werken, wil ik wat tijd om inspiratie op te doen.”

Voor een workaholic als Jansons is zelfs een semi-sabbatical een grote stap. Vrienden en bekenden vrezen dat hij in een gat zal vallen. “Ben je gek,” verzekert hij. “Ik ga in Sint-Petersburg operavoorstellingen bezoeken en eindelijk eens die stapel boeken lezen waar ik maar niet aantoe kom. Ik ben een filmfreak en er zijn nog zoveel films die ik wil zien. Ik wil al die oude Italiaanse neorealisten als Pasolini weer eens bekijken, en One Flew over the Cuckoo’s Nest staat ook hoog op mijn verlanglijstje. Een prachtige film. Very dramatic.” Studeren wil hij ook. “Mijn Frans en Italiaans bijspijkeren. Ik heb wel tien sabbaticals nodig.”


Het reizen zal hij beperken. Jansons reist immers al zijn hele leven van hot naar her. Een uitzondering maakt hij voor Jalta. “Dat wordt mijn tour d’amour,” zegt hij met dichtgeknepen pretoogjes. De dirigent gaat met zijn echtgenote, Irina, terug naar de bron waar ooit hun liefde ontsprong.

Maar voorlopig is het nog niet zo ver. Vrouwlief is in het Amsterdamse hotelappartement druk in de weer met de jasjes van haar man. Op tafel ligt een boek van Poesjkin met een opdruk in sierlijke gouden letters, naast een recensie uit Het Parool, een Russisch-Engels woordenboek, wat rekeningen en een opengeslagen orkestpartituur: Jevgeni Onjegin.

“Poesjkin is de Shakespeare van Rusland,” zegt Jansons. A genius. Zijn Onjegin kent iedere Rus. Het is het verhaal van twee jonge mensen die samen een gelukkig leven zouden kunnen hebben, maar er niet in slagen de praktische bezwaren die dat verhinderen te overwinnen. Wat dat betreft is het een verhaal van alle tijden en van alle mensen.”

Zijn moeder, de operazangeres Iraida Jansons, heeft de rol van Olga ontelbare malen gezongen. “Als knulletje van vijf ging ik met haar mee naar zangcoaching en hoorde al die prachtige aria’s. Daar heb ik voor de eerste maal bewust de muziek van Tsjaikovski gehoord. Daar is mijn liefde voor opera ontstaan.”

Qua uiterlijk lijkt hij meer op zijn vader, de dirigent Arvid Jansons, chef van de opera en het Filharmonisch Orkest van Riga en tweede dirigent onder de legendarische Mravinsky bij het Filharmonisch Orkest van Leningrad. Dezelfde haarlijn, dezelfde diep ingevallen ogen. Van hem leerde hij alles: viool spelen, dirigeren, repertoirekennis.


Het kon niet anders of Jansons junior zou in zijn vaders voetsporen treden. Jarenlang was hij in gevecht met diens geest. Na zijn vaders crematie (die overleed na een hartaanval in 1984 op de bok in Manchester) reisde de zoon zelfs langs de concertzalen met de as van zijn vader in de reisbagage. “Mijn vader was mijn ijkpunt, mijn vader was mijn god. Hij werkte samen met alle grote namen uit zijn tijd. David Oistrach, Svjatoslav Richter: het waren zijn vrienden en collega’s. Al die helden uit de muziekwereld kwamen bij ons thuis over de vloer. Zijn stempel op mijn leven is groot. Zo groot dat ik jarenlang het gevoel heb gehad dat ik nooit in staat zou zijn om uit zijn schaduw te treden. Ik voelde me nooit goed genoeg.”

Dat veranderde pas in 1970 toen Jansons junior de Karajanprijs voor jong talent won. “Misschien was dat wel het moment dat ik volwassen werd en onafhankelijk.”

Inmiddels heeft hij het succes van zijn vader ruimschoots overtroffen. Bleef Arvid toch vooral een dirigent uit het Sovjettijdperk, Mariss, die in 2012 voor de tweede maal het prestigieuze Nieuwjaarsconcert van de Wiener Philharmoniker zal dirigeren, werd een wereldmerk. Elk orkest van formaat dingt naar zijn hand. Elk operahuis wil hem hebben. In dirigentenland is niemand zo hot als Jansons. Hij behoort tot de best betaalde dirigenten ter wereld en verdient meer dan waarvan zijn vader ooit had kunnen dromen. Het chef-dirigentschap in Pittsburgh leverde hem in de jaren negentig naar verluidt een miljoen dollar per jaar op.

Maar een Jansons is niet gebouwd voor uiterlijk vertoon. Hij is geen playboy à la Von Karajan. Voor hem geen dure sportauto’s en privéjets. Eigenlijk droomt hij stiekem van een wereld zonder geld. Een wereld zonder klasseverschillen. Dat had hij vroeger al. Als zijn vader hem met de auto naar school bracht, stapte hij stiekem op de hoek uit. Uit schaamte. Zijn vader was de enige met een auto. De kleren die zijn vader meenam van verre reizen weigerde hij op school te dragen. Bang om uit de toon te vallen. Hij wilde zijn zoals de andere jongens uit de klas: een gewone arbeidersjongen.


Over het duistere Sovjetverleden waar Mariss zijn portie van meekreeg, praat hij weinig. Dat is een Jansons-traditie. De inval van de Russen in Riga, de strubbelingen van zijn vader met het regime – over dat soort zaken werd thuis nauwelijks gesproken. “Mijn ouders wilden mij niet opzadelen met de tragedies uit het verleden,” vertelde Jansons enkele jaren geleden in een vraaggesprek met The Jewish Week.

Op haar sterfbed vertelde zijn moeder het familiegeheim. Hoe zij, als jodin, in 1943 uit het getto werd gesmokkeld en met haar baby, de kleine Mariss, ondergedoken zat tot het einde van de oorlog. Zij overleefden, maar haar vader en broer werden door de nazi’s vermoord. Nog jarenlang werden Mariss’ ouders geconfronteerd met het antisemitisme van de Russen. Pas in 1956 kreeg Arvid, die inmiddels in Leningrad woonde en werkte, toestemming om zijn vrouw en hun inmiddels dertienjarige zoon naar Sint-Petersburg te halen.

Toch klinkt er geen haat of wrok in zijn stem. Sint-Petersburg beschouwt hij als zijn echte thuis. Hij houdt van de Russische ziel. Van het verlangen, de melancholie, de lichtheid, de levenskracht. “Russen hebben net als Letten geleerd om in de zwaarst mogelijke omstandigheden overeind te blijven. Het heeft ze tot overlevers gemaakt die in hun vriendschappen enorm loyaal zijn. Nergens ter wereld heb ik zulke goede vriendschappen ervaren als in Sint-Petersburg.”

Een opmerkelijke uitspraak voor een half-joodse Let. Een hoop landgenoten zullen die mening niet delen. Russen en Letten: dat is water en vuur. “Kijk om je heen, dan zie je de gevolgen van polarisatie en geweld. Als we iets van de geschiedenis kunnen leren, is het dat we onze tegenstellingen moeten overwinnen. Ik heb een heilig geloof in de weg van de dialoog.”


Dat verklaart zijn grenzeloze bewondering voor zijn vriend dirigent en pianist Daniel Barenboim. Jansons is er de man niet naar om met politieke uitspraken op de voorgrond te treden. De eveneens half-joodse Barenboim wel. Hij dirigeerde onder veel protest de eerste Wagner-uitvoering in Tel Aviv en profileert zich als ‘bruggenbouwer’ in het Israëlisch-Palestijnse conflict. In 1994 richtte hij het West-Eastern Divan Orchestra op, met Arabische en Israëlische musici. Vorige maand nog reisde hij met dat gezelschap naar de Gazastrook voor een ‘vredesconcert’, en onlangs stonden Jansons en Barenboim samen in Amsterdam op het podium voor een verjaardagsconcert voor prinses Máxima. “Na afloop vroeg ik Daniel: hoe gaat dat er nou aan toe in jouw orkest? Zijn die Arabieren en Israëliërs ineens vrienden omdat ze samen Mozart spelen? Hebben ze dezelfde politieke opvattingen? Daniel zei: ‘Nee. De musici delen elkaars politieke mening niet, maar ze vinden elkaar in de muziek. ’s Avonds na het concert branden de discussies los, maar op het podium zijn ze broeders.’ Dat is de kracht van de muziek. De kracht van cultuur.”

Daar denken sommige politici in Nederland anders over. Jansons is geschokt over de uitlatingen van Geert Wilders over ‘linkse hobby’s’. Een schande, vindt hij die. “Populisme is altijd gevaarlijk. Of het nu van links of van rechts komt. Onder de communisten hadden we de mazzel dat zij de cultuur, zolang die hun doel diende, juist zagen als een manier om het volk te verheffen. Daar had een groot deel van de kunstsector nog wel baat bij. Wat ik tegen Wilders zou zeggen? Dat ieder mens geestelijk voedsel nodig heeft. Dat cultuur geen luxe van de elite is, maar noodzaak. Een volk dat niet meer investeert in zijn geestelijke ontwikkeling, graaft zijn eigen graf.”


Van materiële rijkdom – ‘drie datsja’s’ – wordt een mens niet gelukkig, doceert hij. “Ik was laatst in Japan en zag daar robots die stofzuigen en het huis schoonmaken. Het is allemaal prachtig, maar hoe technocratischer onze samenleving wordt, hoe belangrijker het spirituele.”

Tussen Druten en Dreumel waait echter een andere wind. Het kabinet wil tweehonderd miljoen euro bezuinigen op kunst. Deze week presenteert staatssecretaris Halbe Zijlstra zijn plannen, en ook het Koninklijk Concertgebouworkest zal vermoedelijk niet worden ontzien. Goed, het recente praatje van Máxima tijdens haar verjaardagsconcert was goed lobbywerk. Hare Koninklijke Hoogheid wees een zaal vol decision makers op de waarde van de cultuursector in het algemeen en van het Koninklijk Concertgebouworkest in het bijzonder. Maar zal het helpen?

Waarom heeft Jansons zijn mening niet eerder laten horen? Sir Simon Rattle was er toch als de kippen bij om te verklaren dat hij zou opstappen toen Berlijn van plan was vergaande bezuinigingen door te voeren? De hele wereldpers schreef erover. Waar bleef de stem van Jansons?

“Ten eerste weten we nog niet precies hoe de bezuinigingen het orkest zullen treffen. Ten tweede is het niet mijn manier,” zegt hij stellig. “Ik geloof dat je meer kunt bereiken via de dialoog, al moeten de ambtenaren die de keuzes maken nu eindelijk eens met argumenten komen waarom zulke drastische bezuinigingen noodzakelijk zijn. Is het hier soms Griekenland. Is het land failliet? Hoelang bestaat dit kabinet: twee maanden, drie maanden? Ik snap niet hoe je zo snel kunt besluiten hoe en waar dergelijke ingrijpende bezuinigingen nodig zijn. Dat vergt onderzoek, dat vergt inzicht en visie. Dat doe je niet even in een paar maanden tijd. Daarvoor is de cultuursector te kwetsbaar en te belangrijk.”


Toch blijft de vraag: waar ligt voor Jansons de grens? Wat is voor hem onacceptabel? Stel dat er gesnoeid moet worden in de bezetting van zijn orkest; stapt hij dan op? Jansons laat zich niet verleiden tot provocerende uitspraken. “Ik wil geen loopgravenoorlog. Dat leidt nergens toe. Ik zal altijd pal voor mijn orkest blijven staan, wat er ook gebeurt.”

Zo kennen we Jansons. Afstandelijk en afwachtend, maar ook vaderlijk betrokken, diplomatiek en loyaal. Al jaren combineert hij zijn twee chef-dirigentschappen zonder dat het tot noemenswaardige loyaliteitsconflicten leidt. Veertien weken per jaar is hij in München, twaalf weken in Amsterdam. Zo doet hij het nu al zeven jaar. En vanaf dag één waren er speculaties over hoelang de periode-Jansons bij het Concertgebouworkest zou duren. Die werden vooral ingegeven door zijn slechte gezondheid. Net als zijn vader werd hij (tijdens een uitvoering van Puccini’s La Bohème) op de bok getroffen door een hartaanval. Sindsdien leidt hij een ascetisch bestaan: hij rookt niet, drinkt niet, leeft op een streng dieet met veel fruit.

Toch werd hij drie jaar geleden opnieuw opgenomen in het AMC wegens hartklachten, maar wederom herstelde hij. “Het is mijn tijd kennelijk nog niet,” lacht hij. “Ik wil leven, nog heel lang leven. En dat meen ik. Iedere journalist vraagt me of ik niet te oud word, maar wat is oud? Voor een dirigent ben ik piepjong.” Hij gaat rond met de fruitschaal en zegt: “Ik kan nog honderd jaar mee.” Maar zijn ogen zeggen iets anders. De klok tikt. De tijd dringt.

Daarom houdt hij een slag om de arm wat betreft zijn chef-dirigentschap in Amsterdam. “Ik denk erover om me in de toekomst meer te gaan toeleggen op opera. Dat heb ik altijd gewild, maar het is er nooit van gekomen. Opera was mijn eerste liefde. In het operahuis van Riga bracht ik mijn kinderjaren door. Het voelt als een gemis dat ik in mijn carrière zo weinig opera’s heb kunnen dirigeren.”


Zou dat een reden kunnen zijn voor een eventueel vertrek uit Amsterdam? “Ja, dat zou de enige reden kunnen zijn die ik me kan voorstellen. Mijn tijd is beperkt. Ik moet keuzes maken en voel een diepe innerlijke behoefte om die kant van het repertoire eens serieus aan te pakken.”

Toch hoeft men aan het Museumplein nog niet aan de voorbereidingen voor zijn afscheidsfeestje te beginnen. “Ik ben nog niet weg. Het orkest en ik hebben zeven vruchtbare jaren achter de rug. Het gezelschap is verjongd, maar op hoog niveau gebleven. De sfeer is goed en professioneel. We kunnen nog jaren met elkaar verder, maar ik moet toegeven: de opera lonkt, en ik ben in een fase van mijn leven terechtgekomen dat ik moet nadenken over wat ik nog uit het leven wil halen.”

Dat Jansons in de operabak tot grote prestaties in staat is, bewees hij enkele jaren geleden toen hij het Koninklijk Concertgebouworkest dirigeerde in Lady Macbeth van Mtsensk van Sjostakovitsj. Het werd een van de meest indrukwekkende producties uit de geschiedenis van De Nederlandse Opera. Het geluid van de strijkers tintelt nog in de oren. Dat belooft wat voor Tsjaikovski. Als er één dirigent is die deze muziek de juiste dosis flair mee kan geven, is het Jansons. In de hemisfeer van de Russische muziek is hij immers op zijn best. En hij heeft al even kunnen ‘droogzwemmen’, want twee maanden geleden dirigeerde hij Onjegin concertant in München met zijn andere orkest. De reacties waren laaiend. Hij kijkt naar de vuistdikke partituur – het stuk duurt drie uur – en zegt: “Tsjaikovski’s muziek is zo ongelooflijk mooi. Wat al die werken, de symfonieën en de opera’s, met elkaar verbindt, is de menselijke tragiek. Dat is waar Tsjaikovski’s muziek over gaat.”


Toch zal hij in Amsterdam niet zwelgen in pathetiek. Zijn aanpak is zelfs bijna anti-romantisch. “Die partituur is al zo rijk van zichzelf. Alles wat je extra doet, is te veel. Mijn vader zei altijd: ‘Je doet ook geen suiker bij de honing.'”

Jevgeni Onjegin, Het Muziektheater, Amsterdam. 14 juni t/m 10 juli.

Oswin Schneeweisz