Interview met António Lobo Antunes

Al decennialang behoort zijn werk tot de top van de wereldliteratuur en geldt hij als kandidaat voor de Nobelprijs. Interviews geeft António Lobo Antunes nog maar zelden, maar voor HP/De Tijd maakte de Portugese grootmeester een uitzondering.

In het piepkleine gangetje waar de lift op uitkomt, hangen affiches van hem in jongere gedaante. Het kan niet missen: hier woont António Lobo Antunes. Vriendelijk ontvangt hij ons in zijn rokerige appartement in Lissabon. Het is van plint tot plafond gevuld met boeken – en met hemzelf. Er staan foto’s, een abstract portret van de auteur siert de schouw, en op het beetje muur dat nog zichtbaar is, staan zinnen in zijn handschrift.
Lobo Antunes wuift naar de overvolle boekenkast. “Dit zijn de boeken die ik deze week moet lezen, de rest staat in de kelder,” zegt hij half serieus. “Ik word graag omring door boeken, ze zijn goed gezelschap. Als ik ’s nachts wakker word en hier water kom drinken, dan slapen ze. Maar écht goede boeken slapen niet. Dat zijn kameraden, ze kijken je aan, stellen je vragen: wat heb je van het leven gemaakt, wat heeft het leven van jou gemaakt? Hun bladzijden zijn spiegels; je ziet jezelf. Niet zoals je denkt dat je bent, maar zoals je wérkelijk bent. De beste manier om met mensen om te gaan is ze nemen zoals ze denken te zijn en ze verder met rust laten…”

António Lobo Antunes (68) interviewen is als zijn boeken lezen: het is iets wat je ondergaat. Je hebt eigenlijk geen andere keuze dan je over te geven aan een eindeloze woordenstroom die nauwelijks valt te onderbreken. Hij trekt een rookgordijn op, spreekt zichzelf soms tegen of doet uitspraken die niet stroken met eerdere uitlatingen, en hij is weliswaar echt doof, maar vooral als het hem goed uitkomt. Zijn gelaatsuitdrukking verandert voortdurend, van fel tot kwetsbaar, geïrriteerd, aimabel of ontroerd.
Zo gaat het ook in zijn boeken: als lezer word je langzaam in een web gesponnen van karakteristieke stemmen die door elkaar heen praten, becommentariëren, tegenspreken of met elkaar ruziën. Zinnen worden onderbroken en hervat, of keren als een soort refrein steeds terug. Het is alsof je in iemands hoofd zit, of in vele hoofden tegelijk.
Al sinds zijn debuut, eind jaren zeventig, hanteert Lobo Antunes dit bedwelmende en unieke vertelprocédé, dat hij in de loop der jaren steeds meer heeft verfijnd.
Allemansvrienden zijn Lobo Antunes’ boeken, die sinds een aantal jaar prachtig in het Nederlands worden vertaald door Harrie Lemmens, beslist niet: de vertelwijze is intens en vraagt veel concentratie, toon en thematiek zijn rauw, en de mens toont zich zelden van zijn mooiste kant.

Lees het gehele artikel in de HP/De Tijd van deze week.

Vivian de Gier