Escapades van een nerd

Hoofdpersoon Bas heeft ambitieuze, avontuurlijke vrienden en mooie vriendinnen. En toch is het boek dat Maarten van Buuren over hem schreef bijna bewonderenswaardig saai.

In zijn boek Kikker gaat fietsen! schreef Maarten van Buuren openhartig over zijn depressie, maar op grond van zijn roman-debuut zou je hem eerder een aandachtsstoornis toeschrijven.

Iris begint vrij conventioneel. De eerste zin luidt: “Wanneer kwam ik voor het eerst in aanraking met Iris?” Aan het woord is hoofdpersoon Bas, die in zijn herinneringen graaft. Hij duikt niet alleen zijn verhouding met Iris op, maar ook zijn relaties met een handjevol andere prachtige vrouwen, en ondertussen schetst hij een tijdsbeeld van Nederland vanaf de jaren zeventig.

De titel suggereert een portret van Iris, of op z’n minst een verslag van Bas’ liefde voor Iris. Toch is dat maar een deel van het verhaal. Als Iris ergens over gaat, dan is het over Bas. Dan een hele tijd niks, en dan weer over Bas. Maar goed, om je debuutroman nou de titel Bas mee te geven:

Wat aanvankelijk een lineaire terugblik lijkt, wordt al gauw een a-chronologisch verslag van Bas’ volwassen leven. Komt hij net een beetje op gang over zijn kennismaking met Iris, en over het begin van hun verhouding, onderbreekt hij het verhaal plotseling om te vertellen over zijn gelijktijdige, halfslachtige relatie met een andere vrouw. En o ja, hij heeft ook nog een zoon bij haar. Een detail, als een ontbrekende speelkaart die op nonchalante wijze in de stapel wordt geschoven terwijl het spel al halverwege is.

Die manier van vertellen – het verhaal ontwikkelt zich aan de hand van wat Bas nou weer te binnen schiet – lijkt eerder een tekortkoming dan een bewuste keuze. Sommige schrijvers, zoals Thomas Rosenboom en A.F.Th., werken met schema’s en blauwdrukken en broeden eerst een paar jaar voor ze beginnen te schrijven. John Irving vertelt in interviews dat hij bij de laatste zin begint, en daarvandaan terugredeneert. Andere schrijvers laten zich door hun personages verrassen. Grunberg heeft weleens gezegd dat hij in grote lijnen weet waar het verhaal naartoe moet, maar geregeld tijdens het schrijven een andere kant op gaat.


Van Buuren lijkt geen flauw benul te hebben van zijn plot. Als hij genoeg heeft van een verhaallijn, stapt hij abrupt over op een andere. Daar gebruikt hij dan een zwangerschap voor. Of een verzwegen vrouw, een abortus, een zoon, een scheiding, een vakantie, een onthullende brief. Mogelijkheden genoeg. En ze komen allemaal uit de lucht vallen.

Zo’n springerige verteltrant hoeft geen probleem te zijn, en dat er niet naar een ontknoping wordt toegewerkt is ook nog geen ramp. Als de hoofdpersoon dan maar interessant genoeg is. Of op z’n minst de andere verhaalfiguren. Van Buuren voert allerlei personages op die vriendschappen sluiten en elkaar al dan niet openlijk bedriegen. Bas en zijn vrienden zijn geleerd, ambitieus, avontuurlijk en een tikje subversief, en toch ga je als lezer geen sympathie voor ze voelen.

Bas is een geremde, solitaire promovendus. Hij werkt aan een dissertatie over metaforenreeksen in het werk van Zola, Proust en Musil. Hij lijkt geen al te heftige emoties te voelen, is niet bijzonder kwetsbaar of scherp, en valt zelden op een interessante gedachte te betrappen. Het is geen enkel ogenblik aannemelijk dat er een prachtige vrouw aan zijn voeten ligt – laat staan drie tegelijk.

Soms raakt hij in conflict met zijn omgeving of met zichzelf, maar die conflicten zijn eerder onbedoeld lachwekkend dan spannend of wrang. Als hij een overduidelijke hint van een mooie vrouw over het hoofd heeft gezien, foetert hij zichzelf uit. “Ach, wat ben ik een oen! Wat ben ik toch een ontzettende oen!” Iets eerder riep hij al uit: “Wat ben ik toch een sufferd!” Het boek beslaat een jaar of veertig, en een groot deel speelt zich af tijdens de kabinetten-Van Agt, maar de personages praten alsof ze in de tijd van het eerste kabinet-Colijn leven.


Iris bevat bovendien een paar bijna bewonderenswaardig saaie passages. Gedetailleerde beschrijvingen van de inhoud van een keukenkastje bijvoorbeeld, of een uitgebreid stuk over de beste methode voor het catalogiseren van boeken op het Instituut voor Literatuur & Maatschappij: “Ik las de titel van het boek hardop, stelde voor om het in te delen in categorie IV.2.3.2, en Stein, die tegenover me zat en met zijn vinger de categorieën volgde op een identieke geplastificeerde lijst, knikte instemmend.”

Net als je denkt: het kan me niet minder interesseren, overtreft Van Buuren zichzelf, en komt hij met een passage waarin hij het verschil tussen de race- en de stadsfiets uiteenzet (inderdaad, eindelijk een schrijver die het durft aan te kaarten).

Van Buuren is essayist en hoogleraar Franse letterkunde, en hij publiceert over literatuur in Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer. Van iemand met zo’n achtergrond mag je toch verwachten dat hij in elk geval weet hoe het niet moet. En dat hij ook zijn eigen werk van een afstandje kan bekijken. Niet dus.

Wat een oen.

Maarten van Buuren: Iris. Arbeiderspers, €18,95.

Dries Muus