‘Ik mocht Saddam graag’

Acht jaar geleden kreeg Irak democratie opgelegd. Niet iedereen is daar blij mee. Zoals Sadoon al-Jibouri, de militaire uitgever van Saddam Hussein. ‘Ik was een acteur die deed wat de regisseur van hem vroeg.’

‘Wij in het Midden-Oosten willen sterke leiders, we willen een Hitler. Dan doen we wat ons gevraagd wordt,” zegt Sadoon al-Jibouri (57). “De westerse cultuur is anders. Wij hebben een gesloten geest. Democratie in Irak is als een kledingstuk dat drie maten te groot is. We snappen het niet. We zijn gewend om bevelen te krijgen. We houden van hiërarchie. En juist nu heeft Irak een sterke leider nodig.”

De Iraakse bevolking bestaat uit soennitische (20 procent) en sjiitische Arabieren (60 procent) en Koerden (20 procent). De Iraakse dictator Saddam Hussein wist sjiieten en Koerden jarenlang met harde hand te onderdrukken, en aarzelde niet om daarbij gifgas en bulldozers in te zetten. In 2003 namen de Amerikanen de macht over. Gouverneur Paul Bremer III besloot de bovenste vier lagen van de Ba’ath-partij en het leger te ontslaan. De hele bestuurlijke infrastructuur van het land kwam werkloos thuis te zitten. Velen sloten zich aan bij het verzet, dat deels werd geleid door Al-Qaida-strijders, die na 2003 via de poreuze landsgrenzen binnendrongen.

In de jaren die volgden, woedden er gevechten van leven op dood tussen sjiitische milities, veelal aan Al-Qaida gelieerde soennitische milities en de Amerikaanse bezetter. In het heetst van de strijd kwamen er 2500 Iraakse burgers per maand om, volgens de onafhankelijke organisatie Iraq Body Count. De Amerikanen droegen uiteindelijk de macht over aan een sjiitische regering. De dictator maakte plaats voor wel zes of zeven politieke kopstukken – onder wie naast premier Nouri al-Maliki nog drie sjiieten – met ieder een eigen militie. Irak werd al snel een van de meest corrupte landen ter wereld, volgens Transparency International, en verkeert inmiddels in het illustere gezelschap van Afghanistan, Birma en Somalië.


Democratie, zeggen Irakezen, is een ander woord voor corruptie. Ook in Irak gingen betogers de afgelopen maanden de straat op. De regering-Maliki zette demonstranten gevangen, maar beloofde ook binnen honderd dagen met resultaten te komen. Mochten die resultaten eind juni tegenvallen, dan zal zijn sjiitische tegenstrever Moqtada al-Sadr zijn milities weer de straat op sturen, heeft hij al aangekondigd. De relatieve rust in Irak kan dus ieder moment weer omslaan.

Sadoon al-Jibouri maakte de omwenteling van dictatuur naar democratie van nabij mee. Onder Saddam stond hij aan het hoofd van diens militaire uitgeverij, die onder meer de fameuze dagelijkse krant Qadasiya uitgaf. In de jaren ervoor leidde hij de uitgeverij die iedere maand de speeches van Saddam Hussein bundelde voor alle legerofficieren.

In 2003 vond hij opnieuw een positie dicht bij het politieke vuur. Onder Paul Bremer III werd hij hoofdredacteur van de door de Amerikanen gesubsidieerde krant Azzaman. “Ik geloofde in de Ba’ath-partij,” zegt hij onomwonden. “We geloven in één Arabië, in pan-arabisme. En in vrijheid. De Ba’ath leidde dit land, niet één man. Ik mocht Saddam graag, ik vond dat hij het goed deed. Maar op een gegeven moment stapte hij af van de Ba’ath-lijn en ging zijn eigen weg. Hij voerde een lange, kostbare oorlog tegen Iran – tegen onze zin. Na die oorlog, in 1988, wilden we in vrede leven, maar Saddam zocht een nieuwe oorlog. Die laatste periode was hij niet goed bezig.”

We zitten tussen twee zuiltjes op zijn veranda in een soennitische wijk van Bagdad. Op de witte tuintafel staan slagroomtaartjes. De voorpui, naast de zware deur, is van licht natuursteen. Erop staat een vers uit de Koran, dat moet beschermen tegen slechtheid en jaloezie. Het huis is ontworpen en gebouwd door de topontwerpers van Saddam. Tegenover ons wijken twee heggen om toegang te geven tot een L-vormig grasveldje, waarlangs bloempotten aan een ijzeren rek hangen. De zon gaat langzaam onder. Op de oprijlaan staat een Mercedes uit de S-klasse met zachte banden. Jibouri rijdt er niet meer in; iedereen weet dat die auto onder Saddam was voorbehouden aan de elite. De tegels van de oprit zijn gebroken. “De Amerikanen hebben het huis ingenomen en parkeerden hun tank naast de deur.” Het huis ligt tussen Bagdad en het vliegveld. In 2005 raakten het Amerikaanse leger en Al-Qaida hier in gevecht met elkaar. Jibouri vluchtte met zijn kostbaarste boeken en zijn gezin de stad uit; toen ze twee jaar later terugkwamen was hun huis een grote puinhoop.


Jibouri is nog steeds aanhanger van de Ba’ath-filosofie. Toch was hij nooit een slaafse volger van Saddam. “Ik had een goede positie in de partij van Saddam, maar ik wilde niet blind zijn. Als hoge functionaris mochten we het land niet uit, we konden alleen staatstelevisie ontvangen. Ik wilde weten wat er in de wereld gebeurde.” Vanwege zijn positie kwamen partijgetrouwen geregeld vertrouwelijke documenten bij hem kopiëren. In het geheim maakte hij dan een extra kopie voor zichzelf.

Jibouri verzamelde ook verboden Arabische boeken, vooral over de machtspolitiek in het Midden-Oosten. Boeken als ‘Geheimen over de Amerikanen’ uit de eerste Golfoorlog en ‘In Iran’. Boeken over de Egyptische geheime dienst, de KGB en andere geheime diensten, oliekoningen, moordaanslagen, Israël, ‘Geheime uitspraken van Bush’ en over spionnen. In de kast staat een Arabische versie van Mein Kampf.

Voor het boek ‘Tocht van de moedige mannen uit Koerdistan, het verhaal van Mustafa Barzani’ deed hij de meeste moeite. “In 1997 ging ik met vrienden naar het Koerdische noorden, dat toen al zelfbestuur had. We vonden er veel boeken die in Bagdad verboden waren. De Koerden vochten hard tegen Saddam, ik heb het zelf gezien toen ik er in 1974 werd gestationeerd. We kregen te horen dat de Koerden spionnen waren, dat ze in het verzet zaten. Maar waar ze zich dan precies tegen verzetten, wisten we niet.”

Hij besloot het boek de grens over te smokkelen. “Als het bij de grensovergang gevonden zou worden, zou ik in de gevangenis belanden, of erger. Een vriend van me had een goede positie in de regering; hij zou dan ook in de problemen raken. Ik heb het boek in de bodem van mijn tas genaaid. Op de grens werden onze tassen een voor een gecontroleerd. Ik was bang, maar het lukte. Ik ben twee keer teruggegaan om nog twee boeken de grens over te smokkelen.”


Hij pakt een ander boek, een dik boek met witte kaft: ‘De geschiedenis van de Saudi’s’. “Het gaat over de Saudi-familie, en hoe zij met de hulp van de Britten de leiding hebben gekregen over Saudi-Arabië,” zegt Jibouri. Er zijn maar een paar kopieën van in Irak, de meeste zijn vernietigd. Het Saudische koningshuis steunde Saddam, maar soms was er onenigheid, en dan liet Saddam dingen uit dit boek uitlekken naar de Iraakse media. “Ik had er veel voor over om dit boek in mijn bezit te krijgen. Iemand uit Saddams entourage vertelde me dat hij het had. Ik heb hem een auto gegeven in ruil voor het boek.”

Jibouri vertelt het ene verhaal na het andere, alsof hij er zeker van wil zijn dat zijn getuigenis niet verloren gaat. Maar op sommige momenten slaat zijn openheid om in achterdocht, zoals bij de vraag wie uit Saddams entourage hem dat boek heeft bezorgd. “Waarom wil je dat weten?” Zou ik toch niet van de CIA zijn? Jibouri ziet, zoals veel Irakezen, overal complottheorieën. “Alles heeft met alles te maken – ook met Irak. Je ziet alleen de poppen, ik zoek de poppenspeler die erachter zit.”

Hij heeft zijn zoon opgedragen om politieke wetenschappen te studeren; dat is de enige manier om in het huidige Irak nog iets van hun verloren macht terug te winnen. Hij laat foto’s zien van Saddam. Op eentje staat Saddam als hij voor het eerst zijn militaire uniform draagt. De foto werd afgekeurd: de latere dictator had de badges verkeerd om opgedaan. Alle foto’s moesten vernietigd worden. Jibouri bewaarde stiekem een exemplaar. Het gesprek gaat terug naar de boeken. “Ik houd van geheime boeken. Wat verboden is, is gewild. Kijk maar om je heen. Er zijn veel vrouwen op straat, maar de vrouw die zich thuis verbergt, dat is de vrouw die mannen begeren. Een verboden boek is veel waardevoller dan geld. Kennis is macht.”


Hij geeft een rondleiding door zijn huis. De keuken is acht meter lang en drie meter breed. De muren zijn betegeld met marmer, de kastdeurtjes ingelegd met hout in visgraatpatroon. Maar in de kolossale woonkamer zitten ze bijna nooit meer; de stoelen zijn stuk, veel tapijten gestolen door de Amerikanen of Al-Qaida. Ze zitten liever in de hal bij de centrale trap. Daarachter liggen ook de slaapkamers. Boven zijn nog vier riante kamers, maar daarin liggen kapotte stoelen en andere rotzooi tot anderhalve meter hoog opgestapeld. Op een stoel op de overloop is met een zwarte spuitbus een hakenkruis gespoten. De glazen koepel boven de trap heeft kogelgaten.

Net na de oorlog tegen Iran, in 1988, had Saddam een ontmoeting met de hele legertop. Jibouri was erbij. “Hij ging iedereen af en vroeg de mannen wat zij voor de strijd hadden betekend. ‘Ik stond aan de frontlijn,’ zei de één. ‘Ik deed de toevoer,’ zei een ander. Ik zei: ‘Ik zorgde voor de informatie.’ Saddam zei: ‘Dat is de belangrijkste taak van allemaal. Informatie is cruciaal,'” vertelt Jibouri trots. Maar op 30 juni 1990 hield zijn carrière ineens op, nadat een lid van zijn stam, de Jibouri’s, Saddam had proberen te vermoorden. Alle Jibouri-officieren belandden in de gevangenis. “Ik wist van niets, ik had alleen een voorgevoel. Saddam stuurde ons uiteindelijk allemaal naar huis, met vervroegd pensioen.”

Jibouri had jarenlang toegang tot een schat aan geheime informatie en was altijd op zoek naar de waarheid, zegt hij. Toch heeft hij zich nooit tegen de dictator verzet. “Als ik de waarheid vind, wat kan ik er dan mee? Ik zag de waarheid, maar ik kon niets zeggen. Politici hebben een plan, wij zijn het gereedschap waar zij mee spelen. Ik was een acteur die deed wat de regisseur van hem vroeg. Dat is nu eenmaal onze cultuur. Alle Arabische leiders zijn zo.”


Tegenwoordig is Jibouri zakenman, hij handelt in dadels. Hij is nog steeds op zoek naar kennis – ook al telt het huidige Irak satelliet-tv met tientallen zenders en heeft iedere politieke stroming inmiddels zijn eigen krant of tijdschrift. “Brengen media de waarheid? Nee, want de waarheid is niet zoet. Als lezer moet je haar zoeken. Als iedereen de waarheid kende, zou niemand meer naar zijn werk gaan. We kijken liever naar soaps.”

Paulien Bakker