Steeds weer die vr agen over thuis

Door de Tweede Wereldoorlog raakten veel mensen op drift. Dat heeft al heel wat literatuur opgeleverd. Auteurs schrijven om wraak te nemen op anderen, of om na te gaan wat er met hun dierbaren is gebeurd.

Oorlogen brengen volksverhuizingen teweeg, en die brengen op hun beurt schrijvers voort die geschiedenissen vastleggen. Niet voor niets zijn zo veel grote schrijvers emigranten. En niet voor niets zijn er in die oorlogszuchtige twintigste eeuw zo veel joden geweest onder de geëmigreerde schrijvers. Van Elias Canetti tot Joseph Roth en van Stefan Zweig tot Isaac Bashevis Singer, allemaal kwamen ze ten slotte terecht in een land waar ze niet geboren waren en waar de taal van hun jeugd niet werd gesproken.

Sommige schrijvers (in spe) keerden terug naar het land van herkomst, wat niet altijd even gemakkelijk was. Hun huizen waren niet zelden verdwenen, of bezet door nieuwe bewoners. Soms deden die de deur open in een ochtendjas die de oude bewoners herkenden uit hun eigen klerenkast.

Als ik het goed zie, zijn de terugkerende schrijvers te verdelen in twee groepen. De eerste groep gaat na thuiskomst op zoek naar de slachtoffers: naar gezinsleden en andere verwanten. Ze zijn in één klap veranderd in nabestaanden en in die hoedanigheid proberen ze vast te stellen wat er nog over is van hun families – en van hun verleden.

De tweede groep gaat op zoek naar de daders. Dat zijn de Claude Lanzmann-types, de inglourious basterds die verhaal gaan halen of die op z’n minst willen weten wat er is gebeurd. Zij gaan niet alleen op pad omwille van wraak, maar vooral ook om wat tegenwoordig ‘waarheidsvinding’ heet.

Een indrukwekkend voorbeeld uit deze categorie is Primo Levi, die in 1943 wordt verraden en die met 650 andere Italianen in Auschwitz terechtkomt. Daar wordt hij als dwangarbeider tewerkgesteld in de Buna-Werke, een chemische fabriek die dankbaar gebruik maakt van de verdoemden uit het concentratiekamp. In het laboratorium van de fabriek werkt hij onder dr. Mueller, een scheikundige die weinig scrupules heeft om op die plek zijn vak uit te oefenen.


Van de Italianen uit Levi’s transport is hij een van de vijf overlevenden. Na de oorlog keert hij terug naar zijn geboorteland, waar hij aanvankelijk als chemicus werkt bij een Italiaanse firma. In die functie doet hij ook zaken met Duitse bedrijven, en als hem dan wordt gevraagd hoe het toch komt dat hij zo goed Duits spreekt, pleegt hij met gespeelde achteloosheid te antwoorden: “Ach, dat heb ik in Auschwitz geleerd”.

In Het periodiek systeem beschrijft Levi hoe hij op een dag een brief krijgt van ene dr. Muller – zonder e – die graag bij de firma een order wil plaatsen. Levi vermoedt dat deze Muller dezelfde is als de Mueller uit Auschwitz en maakt een afspraak. Hoe het afloopt – “Fijn dat u nog leeft” – moet u verder zelf maar lezen, maar ik kan u verzekeren dat ik geen schrijver ken die in dit soort beschrijvingen tot zo’n grote hoogte stijgt.

Niet iedere schrijver is een Primo Levi, maar het thema van de terugkeer is een onverwoestbaar literair gegeven. De Tweede Wereldoorlog is 66 jaar voorbij, maar bijna wekelijks verschijnen nog boeken en boekjes met verslagen van zoektochten naar scherven uit de geschiedenis. Zoals in Het geheim van Adderhorst, waarin Lex Kater ineens jeugdfoto’s van zichzelf en van zijn familie krijgt opgestuurd. Ze waren in zijn onderduiktijd verstopt achter een muur en zijn nu, na vele jaren, bij een renovatie teruggevonden. Als kinderboek aandoenlijk en sympathiek.

Onlangs is in München het proces tegen John/Iwan Demjanjuk geëindigd met een veroordeling tot vijf jaar cel. Demjanjuk werd medeplichtig bevonden aan de moord op tienduizenden joden in het vernietigingskamp Sobibor. Dit proces, vermoedelijk het laatste in zijn soort, zal ongetwijfeld een aantal boeken opleveren van schrijvers die teruggaan in de tijd, op zoek naar ouders en naar het kind dat zijzelf zijn geweest.


Het zal voor hen bijzonder moeilijk worden Paul Hell-mann te verslaan, want naar aanleiding van het Demjanjuk-proces, waar hij optrad als Nebenkläger (mede-aanklager), heeft hij al twee boeken geschreven. In het eerste, Mijn grote verwachtingen, gaat hij op zoek naar slachtoffers, met name naar zijn vader die in Sobibor werd vergast. Opvolger Klein kwaad is vooral een zoektocht naar de daders, naar degene die zijn vader heeft verraden. Zijn vader werd in 1943 gearresteerd op een boerderij in Ede, waar hij ondergedoken zat.

Beide titels sluiten op elkaar aan, maar Klein kwaad is het meest aangrijpend. Zo gaat het natuurlijk altijd in de literatuur. Waar het kwaad de kop opsteekt, zelfs al is het maar een kopje, wordt het meteen spannend. Het kleine kwaad dat Hellmann beschrijft, is dat van de gewone politieman, de gewone boer of de gewone buurtbewoner die via het spionnetje nauwlettend in de gaten houdt wat er gebeurt. Daarom is Klein kwaad niet alleen een persoonlijke geschiedenis, maar ook een pijnlijke weergave van de weinig heldhaftige houding van veel Nederlanders. Oorlog brengt het meest rancuneuze in de mens naar boven, en kennelijk zit de rancune de Nederlander zo ingebakken dat Hellmanns zoektocht naar het verleden je het gevoel geeft dat het morgen niet veel anders zal zijn.

In Klein kwaad wordt aan waarheidsvinding gedaan: het boek voert ons naar huizen en dorpen, naar getuigen en nabestaanden, alsmede langs archieven en politiedossiers. Alles bij elkaar geven ze een steeds sluitender beeld van wat heeft gespeeld tussen vader en zoon, die op afstand van elkaar, in hetzelfde gebied bij vreemden zaten. Hellmann, journalist van professie, heeft alles zo helder opgeschreven dat het af en toe lijkt of je een thriller aan het lezen bent.


Ten slotte is dit de uitkomst: de vader heeft het niet gered, de zoon wel. Voor het kleine kwaad dat de daders hebben aangericht, zijn ze er met kleine straffen vanaf gekomen. Sommigen zijn zelfs nooit gestraft en hebben hun leven ongestoord in Argentinië kunnen voortzetten.

Na zoveel jaar keert de zoon in Klein kwaad terug naar zijn vader, die dan nog slechts bestaat uit herinneringen en vastgelegde woorden. “Maar,” schrijft Hellmann (71) aan het slot, “naarmate de tijd verstrijkt, neemt mijn verdriet om hem alleen maar toe.”

Dat blijft toch een even eigenaardig als universeel verschijnsel: dat een mens bij het ouder worden steeds nieuwsgieriger wordt naar de tijd waarin hij (of zij) nog geen flauw benul had van de eindigheid van het leven.

Paul Hellmann: ‘Mijn grote verwachtingen’ en ‘Klein kwaad’. Augustus, €12,50 en €14,95. Lex Kater: ‘Het geheim van Adderhorst’. De Kunst, €17,50. Alle titels verkrijgbaar via ako.nl.

import pam