Stoorzenders

Mobieltjes in de klas veroorzaken chaos concludeerde de Nationale Academie voor Media & Maatschappij na een onderzoek op 120 basis- en middelbare scholen. De concentratie van leerlingen wordt verstoord, de kwaliteit van het onderwijs lijdt eronder, evenals de veiligheid van de schoolpopulatie. Zowel leerlingen als leraren staan bloot aan anonieme digitale pesterijen. Scholen zouden een mediacoach in de arm moeten nemen, die in overleg met een expertgroep van leerlingen harde beleidsafspraken kan maken, zo opperen de onderzoekers. Het klinkt behoorlijk hopeloos. Digibete leraren die geen flauw idee hebben wat pingen is, andere leraren die zelf zitten te bellen in de klas, leerlingen die elk incident op school filmen, uploaden en rondtwitteren, en de hele dag door in alle schoolgeledingen een lavastroom van sms’jes waar iedereen doorheen waadt. Niet verwonderlijk dat in de hieropvolgende discussie stemmen opgingen om de aanwezigheid van mobieltjes eenvoudig te verbieden op school. Dan is het afgelopen met het gedonder en kan de corebusiness van onderwijs geven en krijgen worden hervat. In New York en Beieren schijnt een effectief mobieltjesverbod op scholen van kracht te zijn, volgens een ingezondenbrievenschrijver in NRC Handelsblad.

Dat het verbieden daar gelukt is, kan ik nauwelijks geloven. Het mobieltje betekent voor tieners (en trouwens ook voor het merendeel van de volwassenen) zoveel meer dan alleen een communicatiemiddel met de buitenwereld. Het is een verlengstuk van het lichaam, iets waarmee de eigenaar zich zo sterk identificeert dat hij er bijna mee samenvalt. Wordt het gadget van tieners afgepakt, dan is het of hun levenslijn wordt doorgesneden, alsof hun zuurstoftoevoer wordt geblokkeerd. Het is niet goed voorstelbaar dat ouders zouden instemmen met een schoolverbod op de aanwezigheid van mobieltjes, want kinderen gebruiken het ding ook op weg van huis naar school. Bovendien moeten kinderen na school vaak eerst ergens anders heen voor ze terugkeren naar huis. Uit oogpunt van bereikbaarheid en veiligheid hechten ouders eraan dat kinderen hun mobieltje bij zich hebben. Het punt van zorg betreft dan ook niet de onontkoombare aanwezigheid van mobieltjes op school, maar het gebruik ervan. Dat die dingen tijdens de les uit moeten staan, althans op ‘stil’ in een tas moeten zitten, is zo’n elementaire omgangsvorm dat daar geen mediacoach aan te pas hoeft te komen, zou je denken. Voor en na de les, in de pauze, tijdens de vele tussenuren, onder het zelfstandig werken in de mediatheek, desnoods in de kleedkamer van de gymzaal heeft iedereen de vrijheid om naar hartelust te twitteren en Facebook bij te werken. Maar tijdens een klassikaal lesuur, waarin de leraar probeert om de klas als geheel een en ander bij te brengen en waarin leerlingen worden geacht hun aandacht te richten op de te behandelen leerstof, de leraar en elkaar, is het domweg onbeschoft om iets heel anders te doen. Het maakt niet uit of het gaat om nagels lakken, een stripboek lezen of via Twitter de leraar afkraken. In een kleine, overzichtelijke groep die een gemeenschappelijke taak moet volbrengen, is het een vorm van sabotage als een van de aanwezigen zich onttrekt aan de werkzaamheden ten einde zich op eigen houtje te amuseren. Zelfs als aanwezigen zich grondeloos vervelen, zouden ze de beleefdheid moeten opbrengen om tenminste te doen alsof ze hun aandacht erbij houden. Een notaris die een testament voorleest aan nabestaanden gaat ook niet tussendoor sms’en met zijn vrouw. Een tandarts onderbreekt de behandeling van een patiĆ«nt niet om een vrolijke tweet rond te sturen. Een pianoleraar maakt geen filmpjes met zijn smartphone van het genante gepingel van een talentloze leerling. Wie zijn bezigheden serieus neemt, doet zoiets niet.


Een mobieltje is als een geslachtsorgaan: je hebt het altijd bij je, maar je moet het niet altijd tevoorschijn halen.

import beatrijs ritsema