Topinkomens

De discussie over topbeloningen laait weer op. Dit keer omdat FNV wil wet die de lonen van topmanagers beteugelt. Jaloers gezeur van de vakbonden? Jazeker. Maar er is meer aan de hand. Er moet wel degelijk iets worden gedaan aan onbegrijpelijk hoge beloningen – om het kapitalisme te redden.

Met het kapitalisme is niets mis, rivaliteit en hebzucht zijn goede drijfveren. Ze maken dat mensen altijd meer en beter willen, en zijn een drijvende kracht achter onze welvaart.

Toen de discussie over de topbeloningen een jaar of tien geleden momentum begon te krijgen, kon ik niet bedenken wie de dupe zou zijn van de zakkenvullerij van topmannen. De hoge salarissen en bonussen gingen hooguit ten koste van de winst voor de aandeelhouder. Die stond erbij, keek ernaar, en vond het goed. Voor ingrijpen en regulering zag ik geen aanleiding.

Maar, zo werd me langzaam duidelijk, die was er wel. Allereerst omdat die hoge bonussen managers aanzetten tot risicovol gedrag. Ze waren vooral een prikkel om snelle winsten te maken, vaak ten koste van de positie van het bedrijf op langere termijn. Ik hield mezelf nog even voor dat ook dat vooral een probleem was voor de aandeelhouders, de markten dus, maar hun horizon bleek vaak al even kort. Al dat gegok kan banen kosten, en richt schade aan, en dus was ingrijpen gerechtvaardigd. De code-Tabaksblat (ingevoerd eind 2004) deed dat, een beetje. Onder meer door grenzen te stellen aan de hoogte van de bonussen en gouden handdrukken, en transparantie te eisen over de inkomens.

Maar de code wordt lang niet altijd nageleefd, een wettelijke verankering kan geen kwaad. Soms hebben kapitalistische krachten bijsturing nodig.

Maar wettelijke verankering van ‘Tabaksblat’ is wellicht niet genoeg. De bonussen en daarmee de perverse prikkel tot te risicovol gedrag worden er weliswaar mee aangepakt, maar dat geldt niet voor de hoogte van de inkomens. Die bleven met een kleine pauze tijdens de financiĆ«le crisis, ook na ‘Tabaksblat’ doorstijgen. Topmannen vragen nu met het jaarverslag van de concurrent in de hand bij hun raad van commissarissen om salarisverhoging. Inmiddels is een inkomen van een paar miljoen geen uitzondering meer. Een paar ton is al lang niet meer genoeg.


En dat vinden we toch echt behoorlijk lastig. Niet omdat we niet tegen hoge inkomens kunnen, als het voetballers betreft zeuren we nergens over. En ook ondernemers die flinke risico’s nemen en eigenhandig een bedrijf uit de grond stampen, gunnen we wel wat (TomTom). Maar als de relatie tussen prestatie en beloning zoekraakt, beginnen we te morren. We willen dat die relatie klopt.

Waarom? Ik denk omdat we willen begrijpen waarom sommige mensen veel geld hebben, en anderen niet.

We willen, kortom, dat de wereld om ons heen een beetje klopt. We accepteren de uitkomsten van het kapitalisme alleen, als we ze begrijpen. We accepteren een systeem dat hard werken, uitzonderlijk talent of slimme vindingen beloont. Zo’n systeem moedigt zelfs aan om eraan mee te doen, en kan van brave burgers harde werkers maken. Maar een systeem waarin voor sommige mensen schijnbaar gratis geld beschikbaar is, en waarin managers om onduidelijke redenen en zelfs bij slechte prestaties binnenlopen, dat demotiveert.

Dat is dus een tweede reden om in te grijpen. Omdat onverklaarbare verschillen tussen mensen het draagvlak voor het kapitalisme uithollen. Dat is geen socialistisch standpunt. Het gaat hier niet om gelijkheid, maar om begrijpelijkheid.

Als Gerrit Zalm ABN Amro weer op de rit krijgt, en ons (belastingbetalers) ons geld teruggeeft, en de bank zo sterk maakt dat ze niet meteen na een beursgang wordt opgeslokt, dan heeft hij wat mij betreft een topprestatie geleverd, en verdient hij een megabonus. Tot die tijd is een paar ton als compensatie voor zijn inzet en hersencapaciteit genoeg.

import esther van rijswijk