Hans Wiegel: ‘Je moet het ín je hebben’

Een mooie voorjaarsavond, een kistje sigaren en een restaurant in het liberale Blaricum met een rustiek terras en een prettige huiswijn: ons grote verjaardagsinterview met Hans Wiegel beloofde reeds bij voorbaat veel goeds. ‘Natuurlijk is het toneel wat ik doe. Maar ik schrijf wel zelf het stuk.’

Wist u dat we dit pas één keer eerder hebben gedaan, dat we in HP/De Tijd zo uitvoerig stil staan bij een verjaardag van een prominente Nederlander? Dat was in juli 2007, toen Harry Mulisch tachtig werd.
“Ik ben u zeer erkentelijk. Ik herinner me trouwens prachtige stukken uit de Haagse Post en HP/De Tijd. Van Cherry Duyns, die deed in de jaren zeventig altijd verslag van mijn spreekbeurten voor lokale VVD-afdelingen. Een hele serie was dat: ‘Wiegel in Kampen’, ‘Wiegel in Vlissingen’, het ging maar door. Een van die verhalen begon met de zin: ‘De spreker oogde alsof hij eerder die avond zwaar had getafeld.’ Had die Duyns goed gezien, want dat wás ook zo.”

Mooie tijden waren dat.
“U zegt het.”

Herinnert u zich uw allereerste spreekbeurt nog?
“Dat was rond m’n twintigste, toen ik lid werd van de JOVD. Daar heb ik toen voor het eerst in het openbaar gesproken. Op een JOVD-congres in Arnhem, in november 1961.”

Vond u dat eng?
“Pééntjes zweten.”

En waarin zat ’m die schroom precies?
“Optreden in het openbaar, kan ik dat wel, als verlegen jongetje. Maar nadat ik één zin had uitgesproken, was ik daar overheen. De eerste zin, als die goed gaat… dat is elke keer weer.”

Heeft u ooit tips gekregen, van mensen om u heen die al meer ervaring hadden met spreken in het openbaar?
“Nee, geen tips. En ook geen mediatraining.” (Hij trekt een vies gezicht.)

U hebt die vaardigheid zelf bij elkaar gesprokkeld.
“Je moet het in je hebben. Je moet het hart van de mensen raken tegen wie je spreekt. In een zaal kun je dat ook zien. Dus als ik ergens spreek, kijk ik altijd onbewust in verschillende hoeken van de zaal naar een paar mensen. Aan de gezichten kun je dan zien hoe ze reageren.”

Is het toneel, wat u doet?
“Natuurlijk, maar ik schrijf wel zelf het stuk. Het gaat om de boodschap, en het toefje op de pudding is het goed bréngen van de boodschap.”

Als je dat niet hebt, kun je dan nooit een goed politicus worden?
“Jawel. Maar het hele woord charisma is een onzinwoord. U weet wat Marcel van Dam ooit over de oude heer Drees heeft gezegd: dat-ie het charisma had van een natte krant. Toch was Drees een heel overtuigende man.”

Lees het gehele artikel in de HP/De Tijd van deze week.

Roelof Bouwman en Frank Poorthuis