De oorlog

in KroatiëTot 1991 was Joegoslavië een staat met zes deelrepublieken: Bosnië-Herzegovina, Kroatië, Macedonië, Montenegro, Servië en Slovenië. De bevolking was een bonte verzameling van etnische groepen met een verschillende religieuze achtergrond, voornamelijk orthodoxe christenen, katholieken en moslims. In 1991 verklaarden Slovenië en Kroatië zichzelf onafhankelijk, later gevolgd door Macedonië en Bosnië. In Slovenië en Macedonië verliep dat bijna geruisloos. Maar de onafhankelijkheid van Kroatië en Bosnië stuitte op zwaar verzet van etnische Serviërs die bij Joegoslavië wilden blijven horen.

In Kroatië kregen de Serviërs, die werden aangevoerd door Goran Hadzic, hulp van het Joegoslavische Volksleger en het Servisch Vrijwilligerskorps. Op een gegeven moment hadden ze eenderde van het Kroatische grondgebied in handen, waar ze de Republiek van Servisch Krajina uitriepen. Zo’n 28.000 Kroaten en andere niet-Serviërs werden verdreven.

Een dieptepunt in de oorlog was de slag om Vukovar, in het oosten van Kroatië. Na een belegering van bijna drie maanden werd de stad ten slotte ingenomen door Servische milities en het Joegoslavische Volksleger. De verwoestingen waren enorm; sinds de Tweede Wereldoorlog was geen Europese stad meer zo zwaar beschadigd geraakt. In november 1991 werden ruim 250 mannen uit Vukovar door Servische troepen weggevoerd en vermoord, volgens het Joegoslavië-tribunaal onder verantwoordelijkheid van Hadzic.

In 1995 veroverde het Kroatische leger na twee grote offensieven het grootste deel van de Krajina terug. Ditmaal werden 90.000 Serviërs verjaagd, die vluchtten naar Servische gebieden in Servië en Bosnië-Herzegovina, waar ook hevig werd gevochten tussen Kroaten, Serviërs en moslims. In 1995 eindigden de oorlogen in Bosnië en Kroatië.

Cijfers: International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia (het Joegoslavië-tribunaal).

import buitenland