Een goed gesprek met Henk Krol & Karin Bruers

Karin Bruers geniet in Brabant vooral faam als cabaretière. In de rest van het land verwierf ze enige bekendheid als tekstschrijfster en dagvoorzitter. De laatste tijd duikt ze steeds vaker op als bedenkster van het Socialsofa-project. Wie is toch die gedreven vrouw, zakelijk zeer geslaagd, die zich eigenlijk nooit laat interviewen? We ontmoeten elkaar bij Auberge du Bonheur in Tilburg, waar in het trouwlaantje bij het restaurant een van haar duizend social-sofa’s staat.

Hoe ontstond het idee voor de socialsofa’s?

“Tijdens een plaatselijk politiek debat werd betoogd dat de maatschappelijke cohesie sterker moest worden. Meer festivals, meer buurtfeesten. Onzin, dacht ik. Dus ik zei: ‘Zet eerst maar weer wat bankjes terug op straat.’ Kort daarvoor was mijn moeder bij me aan komen lopen, ze woont een halve kilometer verderop. Onderweg had geen enkel bankje gestaan waar ze af en toe op adem had kunnen komen. Doodmoe was ze. De laatste twintig jaar zijn bijna alle bankjes uit het straatbeeld verdwenen. Telkens wanneer er klachten zijn of wanneer ze worden vernield, halen ze er weer eentje weg. Maar je moet er juist bij zetten.”

Er werd meteen naar je geluisterd?

“De wethouder ging zowaar eens kijken hier in Tilburg. Hij zag dat er inderdaad bijna geen bankjes meer in het straatbeeld voorkomen. Hij stelde voor een bankenproject te doen. Maar de banken die er waren, vonden we niet mooi, dus toen heb ik een eigen ontwerp gemaakt. Hufter-proof, in de vorm van een sofa. Bovendien leek het me leuk als buurtbewoners iets zouden toevoegen aan hun bank. Dan wordt het ook hun eigen bank.”

Hoe bereik je dat?

“Met mozaïeken. Dat is heel arbeidsintensief, maar juist geweldig als de buurt het zelf doet. Zet 25 mensen bijeen die elkaar niet of nauwelijks kennen en laat ze samen aan zo’n bank knutselen. Binnen de kortste keren raken ze in gesprek, vormen ze een groep. Die contacten blijven. Ze zoeken elkaar daarna zelfs op bij hún monumentje. Ze onderhouden die bank ook. Vereenzaamden leggen er nieuwe contacten. Je krijgt kippenvel als je ziet wat er allemaal verandert.”


Maar niet elke buurt heeft toch mensen die daar tijd voor hebben?

“Als men geen tijd heeft, kan het mozaïeken worden uitbesteed aan re-integranten, mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Ook dat blijkt geweldig te werken: daklozen voelen zich weer nuttig. Alleenstaande vrouwen die anders nooit meer via de arbeidsmarkt met anderen in contact zouden komen, ex-prostituees: ze zien dat ze creatief zijn en worden weer trots op zichzelf. Ik zie mensen met sprongen vooruitgaan, hun karakters veranderen. Daarom kom ik binnenkort ook met socialgardens. Op die manier gaat de maatschappij eindelijk zorgvuldig om met arbeidskapitaal. Er wordt bezuinigd op creativiteit, maar toch valt daar juist economisch veel te winnen.”

Na Tilburg veroveren de socialsofa’s ook de rest van ons land?

“Ja, grappig hè? En zelfs het buitenland. Overal in Nederland werken mensen nu in kleine ateliers aan socialsofa’s. Eigenlijk zou elke straat een bankje moeten hebben. Dat is goed tegen de sociale smetvrees die is ontstaan. Dat hoeven niet altijd mijn sofa’s te zijn, als er maar plekken zijn waar men samenkomt, elkaar opzoekt, cohesie ontstaat.”

Chef-kok Ralph Blaakenburg serveert het voorgerecht: gegrilde coquille met een salade van Hollandse garnalen en een crème van avocado. Erbij komt een Ronco dei Folo, een pinot grigio uit het Italiaanse Friuli.

Je bent inmiddels een geslaagd onderneemster, maar je begon bijna berooid na een bijzonder avontuur in het buitenland.

“Daar heb ik inderdaad tien jaar gewoond. Als kind was dat al mijn grote wens. Ik was een van de acht kinderen: zes meisjes, twee jongens. Ik was de vijfde in de rij. Mijn moeder was alleenstaand. In zo’n gezin moest je overleven. “


Wat voor opvoeding was dat?

“Heel vrij. Moeder vond het goed dat ik wilde reizen. Het was mijn droom om in Parijs te wonen. Wel vond ze het verstandiger dat ik eerst een opleiding zou volgen. Gemakshalve deed ik wat mijn broer deed, bedrijfskunde.”

Daarna ben je vertrokken?

“Meteen; ik ging naar Israël. Daar werkte ik in de crèche van een kibboets. Ik had twee broeken en een paar sandalen bij me. Daar deed ik het mee, verder had ik niks. Maar nooit in mijn leven heb ik me prettiger gevoeld. Daarmee kreeg ik meteen een belangrijke waarde te pakken: met niets kan ik ook heel gelukkig zijn.”

Er komt een tussengerecht: een open ravioli van kreeft met een compote van tomaat en citroen. Daarbij een schuimige bisque. De wijn is een Boschendal Chardonnay Pinot Noir uit Zuid-Afrika.

Na Israël ging je niet terug naar Nederland?

“Klopt. Daarna ging ik naar Aix-en-Provence, om mijn Frans te verbeteren. Au pair. En daarna naar Spanje, als entertainmentcoördinator van een hotelketen. Ik groeide uit tot supervisor voor heel Spanje. In 1992 was ik betrokken bij de Olympische Spelen in Barcelona. Veel verdiend, maar net zo veel uitgegeven.”

Zo leerde je Spaans.

“Talen heb ik in bed geleerd. Ze zouden mij minister van Onderwijs moeten maken. Ik zou wel weten hoe je alle jongeren snel veel andere talen kunt laten leren.”

Als hoofdgerecht komt er eend op tafel. Traditioneel, met honing en sinaasappel. Daarbij een vipasso uit Valpolicella.

In Spanje ben je moeder geworden.

“Met de vriend uit die tijd woonde ik op een zolderkamertje in de bergen bij Barcelona. Ik wist dat ik zwanger was, maar het drong niet tot me door dat ik dan ook een baby zou krijgen. Een week voor de bevalling kwam mijn moeder over uit Tilburg met wat spulletjes. Al heel snel daarna ging ik weer werken, de baby mee in een rugzak. In de hotels waar ik werkte was altijd wel iemand die op de kleine kon passen.”


Lukte het om voor je dochter te zorgen?

“Op mijn manier. Ik moest in die periode naar Barcelona om cursussen te geven. Daar werd ik gehuisvest in hotelappartementen. Ik heb tien jaar gewerkt en gereisd zonder ooit zelf een wc schoon te maken of een kamer op te ruimen. Zelf koken, never.”

Voelde je jezelf wel moeder?

“Ja, dat is juist fantastisch.”

Maar dat is toch gek, als je er niet op hebt gerekend?

“Ik kreeg een ongelooflijk verantwoordelijkheidsgevoel. Toen ik mijn baby na de geboorte zag, dacht ik: wat moet ik nu? Hoe doe ik dat? Hoe zorg ik voor een bed, voor eten? De vader was er wel, maar we woonden niet samen. Ik had nog nooit een bankstel of een handdoek gekocht.”

Door je tweede kind veranderde er veel voor je?

“Ja, toen bleek dat ik weer in verwachting was, werd het me te veel. Hoogzwanger ben ik naar Nederland teruggekomen. In mijn piepkleine flatje in Tilburg-Noord kreeg ik mijn tweede dochter.”

Nu, bijna twee decennia verder, is jouw leven compleet veranderd. Wat voor meiden zijn het?

“Vrijgevochten, moderne, mondaine meiden. Ze zijn nu zeventien en negentien. Inmiddels woon ik in Oisterwijk in de bossen en heb ik een pied-à-terre in Tilburg. Daar wonen we samen. Zij zijn in de weekenden meestal in Tilburg.”

Had je dat verwacht toen je die tweede ter wereld zag komen?

“Na de bevalling zei mijn moeder dat ik een uitkering moest aanvragen. Ik naar de Sociale Dienst. De mevrouw die me hielp zei dat ik diezelfde dag moest beginnen met solliciteren. Ze verwachtte dat ik binnen een week werk zou hebben. Huilend verliet ik het pand. Maar mijn moeder zei: ‘Vooruit. Jij hebt niemand nodig.’ Toen ben ik themafeesten gaan organiseren. Binnen de kortste tijd had ik het immens druk. Van de Sociale Dienst mocht dat allemaal niet. Daarom ben ik een bv begonnen; binnen twee jaar was het een fors bedrijf. Kort daarop liep ik toevallig tegen een programmaatje aan voor de Brabantse regionale omroep, Het Benkske. Dat werd waanzinnig populair. Ik deed daar elke week een cabaretesk schetsje, samen met twee vriendjes, als drie volkse typetjes uit een Tilburgse wijk. Iedereen op straat hield me aan, ze dachten dat ik zelf dat typetje was. Het succes was zo groot dat ik wilde stoppen. Ik wilde niet de rest van mijn leven vereenzelvigd worden met die slonzige vrouw op dat bankje. Het leverde wel heel veel aanvragen op voor feesten en partijen. Voor het netwerk dat ik aan het opbouwen was, kwam dat uitstekend van pas.”


Zo leerde je ook Raoul Heertje kennen?

“Hij nodigde me uit om als stand-up comédienne te komen optreden in de Amsterdamse Comedytrain. Dat heeft mijn gevoel voor humor beslist goedgedaan. En hoewel ik veel meer een schrijver ben dan een uitvoerder, leerde ik dat vak daar in de Comedytrain.”

En zo ontstond je theaterprogramma?

“Ja. Ik bleek theater erg leuk te vinden. Je ziet achter het gordijn de zaal vollopen. Ik voel dan een zekere gne: o, die komen allemaal voor mij. En dan meteen dat andere stemmetje in me: ‘Ja ja, wa hedde gij veul geluk mee oe eigen.’ Toch past optreden niet helemaal bij me. Ik ben meer iemand voor achter de schermen. Het liefst schrijf ik teksten voor anderen. Voor Willeke Alberti schreef ik zelfs een heel stout liedje.”

Waarom speelt je eigen cabaretprogramma alleen in Zuid-Nederland?

“Ik wil niet verder dan honderd kilometer rondom het dorp waar ik woon.”

Voor het nagerecht trekt Auberge du Bonheur iets bijzonders uit de kast. Yoghurtijs dat aan tafel wordt bereid door middel van cryo-cooking, koken met vloeibaar gemaakte stikstof. Een hele happening.

Ondanks je succes ben je toch toe aan een nieuwe uitdaging?

“Ja, dat komt ook doordat dat de kinderen nu het huis uitgaan.”

Hoe zien zij hun moeder?

“Ze zijn trots op me. Ik heb ze bijna zonder regels grootgebracht. Eigenlijk met maar drie: doe niet met een ander wat jij niet wilt dat men met jou doet. En ik heb ze op het hart gedrukt dat ze overal maar zó lang moeten blijven als het leuk is. Staat het je niet meer aan, ga dan. Ik leerde ze ook: nooit piepen. Wat er ook gebeurt. Duidelijk zeggen wat je wilt, maar niet klagen. Als ze alleen maar piepten of hun stem verhieven, luisterde ik niet.”


Hoe werd er op hun school aangekeken tegen die vrijgevochten opvoeding?

“Zelfs de leraren van mijn kinderen hebben ervan geleerd. Ooit verhief een leraar zijn stem tegen een van mijn dochters. Ze zei: ‘Gewoon zeggen met praatstem, niet schreeuwen.’ Sindsdien schreeuwen de leraren daar niet meer.”

Je vindt het ook wel leuk hè, om de samenleving tips te geven? In je theaterpgrogramma’s doe je het ook.

“Ja, en juist daarom heb ik het gevoel dat ik eigenlijk op een ander soort podium hoor. Ik weet nog niet welk. Waar kan ik die boodschap kwijt? Ik wil dienstbaar zijn aan de maatschappij. Zou ik de politiek in moeten gaan?”

Dat lijkt me niks voor jou.

“Maar hoe krijg ik dan mijn podium om de dingen te zeggen die ik kwijt wil? Ik ben al voorzichtig bezig met een volgend theaterprogramma, misschien wel met een autobiografisch boek. Wat vind jij bij me passen?”

Misschien een soort eigentijdse dagsluiting? Elke avond voor het slapengaan een wijze levensles van Karin Bruers, zoiets. “Niet eens zo’n gek idee. Maar misschien wordt het heel iets anders. Ik wil nu weleens de harde kant van het leven opzoeken. Zie je me al als bikkelharde zakenvrouw? Het lijkt me leuk om eens een bedrijf op te zetten en te kijken hoe groot ik daarmee zou kunnen worden. En dan, na een tijdje, dat bedrijf verkopen. Het geld niet voor mezelf opeisen, maar daar iets fraais mee doen. De wereld verbeteren. Dat wel. Daar zou ik al mijn passie en werklust in willen steken.”

Auberge du Bonheur is een lommerrijk gelegen hotel-restaurant aan de rand van Tilburg. Het is een plek om tot rust te komen en om te genieten van een voortreffelijke keuken. Er wordt gewerkt met dagverse producten van het seizoen, en dat wordt gewaardeerd: het is het enige restaurant van Tilburg met een vermelding in de Lekker 2011. Ton Gimbrère, Harrie Vermeer en Ralph Blaakenburg zijn bovendien voortreffelijke gastheren. Zeer de moeite waard, en dus verdient deze zaak acht HP’tjes.

import aan tafel