‘Fierljeppen, daar kan je niet níet zijn’

Na vijftien tropenjaren op het Binnenhof verkaste Wiegel naar Friesland, waar hij commissaris van de koningin werd. De Haagse Post zocht het Orakel van Ljouwert in 1984 op. ‘Wat moet-ie daar nou in Friesland, ja, ik kan me voorstellen dat die vraag opkomt.’

‘Ik ben achteraf blij dat ik die beslissing genomen heb. Het was vreselijk moeilijk, want je beslist fundamenteel over je verdere leven, maar ik ben er blij mee. Voor m’n gezin natuurlijk. Maar ook omdat ik alles wel gezien had in Den Haag. Een goed moment om naar Friesland te vertrekken. Om het nou eens machtspositioneel te zeggen: hoger dan het viceminister-presidentschap kun je als aanvoerder van een liberale partij niet reiken. Het aantrekkelijke van het ministerschap vond ik het besturen, het bevorderen dat beslissingen genomen worden die dan nog uitgevoerd worden ook. Welnu, dat doe ik hier ook. Ik kende het land goed, ik kende al een groot aantal mensen hier, het heeft ook altijd een beetje in mijn achterhoofd gespeeld en het is een fantástische baan omdat het je een enorme vrijheid geeft. Je hebt geweldige mogelijkheden om overal in de provincie en daarbuiten je neus in zaken te steken, je hebt de mogelijkheid om hier en daar eens wat te regelen, je ziet nog eens iemand, je kunt er wat dingetjes bij doen, dat is enig.”

Hij breekt zijn betoog af, kijkt me aan en zegt, opeens heel droog: “Het zou voor Den Uyl niks wezen.”

We zitten in de klassiek gemeubileerde salon, Hans Wiegel in een lederen fauteuil, ik op de met bloemmotieven gedecoreerde tweezitter. Direct na zijn benoeming tot commissaris van de koningin, juni 1982, heeft hij de nieuw opgetrokken Friese State in Giekerk, dicht bij Leeuwarden, gekocht. Hij ontving een telegram van de toenmalige bewoner: “Van harte gefeliciteerd met de benoeming – indien u nog een woning zoekt, neem contact op.”

Het hoefvormige, door oude beuken omzoomde oprijpad heeft al iets, maar pas echt imponerend is de tuin achter het huis. De gastheer leidt rond, toont de terrasgewijs opgebouwde perken die tot zeker vijftig meter in de tuin doorlopen, verwent de rondscharrelende pauw met kleine stukjes kaas en poseert geduldig voor de fotografe. Daarna kan het kostuum uit en op deze warme zomernamiddag verwisseld worden voor, zo op het oog, vrijetijdskleding uit de rekken van House of England.


Het gesprek kan zijn loop nemen. We drinken Plantinga’s Beerenburg en paffen sigaren van het merk Sumatra Cum Laude. Buiten valt langzaam de schemer over het Friese Land. Het bestaan kon treuriger en de commissaris straalt uit dat hij dit geluksgevoel deelt.

“Wat ik mis? Dat weet ik wel,” zegt hij zonder aarzeling. “Dat je als politiek aanvoerder onder de mensen kon zijn. Zalen toespreken met duizend man d’r in, leuke confrontaties op de televisie, ja, dat mis ik wel. De persconferentie doen na afloop van de ministerraad, als fungerend minister-president, dat vond ik enig.”

Maar gáát het wel over iets, waar hij nu mee bezig is? “Ach, alles in zijn verband. Om maar eens wat te noemen: het sluiten van een akkoord met de minister van Verkeer en Waterstaat over een vierbaansweg, dat is voor Friesland fantastisch. Terwijl het op de begroting van Rijkswaterstaat maar een paar procent uitmaakt. Ik vind dat heel mooi, ja.”

Maar er moeten toch dagen voorbij gaan dat geen vierbaansweg…

“Hahaha, zeker, dat is waar, maar je bent natuurlijk op allerlei terreinen bezig. Of dat nou het Frysk Orkest is of die vierbaansweg, of het verlenen van een concessie op de Waddenzee aan Petroland, er moet allemaal voor geknokt worden. Op een andere schaal, misschien wat kleiner dan waarvoor je in de Kamer zat, maar wel verduiveld concreet. En concreet vind ik leuk.”

Hebt u het druk?

“Als ik alleen maar in het provinciehuis achter mijn bureau zou zitten, natuurlijk niet. Ik maak zo’n 65 uur per week. Ik heb het dus druk, ja.”

Ik verneem dat u de sector representatie nogal fors ontwikkeld hebt.


Verbazing: “Er zijn? Je laten zien? O zeker, maar dat is ook héél belangrijk. Voorbeeldje: we zijn gisteren geweest bij de freulepartij te Wommels. Ik zal voor de lezers van de Haagse Post eens uitleggen wat dat is. Dat is dé wedstrijd van het jaar in Friesland om, zeg maar, het kampioenschap kaatsen voor jongelui. Ik probeer er elk jaar te zijn, lukt niet altijd, maar ik probeer het, ’t is dan ’s avonds om half negen afgelopen, burgemeester er natuurlijk ook bij, zegt: commissaris, zouden u en uw echtgenote nog even bij ons thuis willen langskomen, glaasje drinken, even praten, prima, maar dan ben je wel ’s avonds om elf uur pas thuis! Maar je móet er zijn. Ook bij zo’n kaatspartij, door een aantal van die jongelui word je herkend, door een aantal anderen niet, ‘k bedoel, hoe jonger ze zijn, hoe minder je herkend wordt, het gaat snel, die politieke vergetelheid, maar ik vind dus, je moet er zijn. Je kunt als je commissaris in Friesland bent in de zomer misschien tien dagen achter elkaar met vakantie, meer niet. Het sktsjesilen, het kaatsen, het fierljeppen, daar gaan we zaterdag trouwens naartoe, dat is polsstok-verspringen over zo’n sloot, daar reik ik ook de prijzen uit, daar moet je wézen, daar kan je niet niet zijn.”

Maar wat heeft dat alles nog met politiek van doen?

Plechtig: “Het is een onderdeel van het ambt. Als men dat niet wenst, moet men het ambt niet doen. Ik vind het plezierig om te merken dat mensen het leuk vinden als je er bent. Maar het allerleukste vind ik het om te kijken of we hier en daar nog iets kunnen regelen. Voorbeeldje: in Friesland leeft de gedachte, bij de ene stroming meer dan bij de andere, dat we moeten proberen de Friese taal en cultuur te behouden. Dat is een belangrijk issue hier. Daar moet je dus ook als commissaris je bést voor doen.”


Misschien heeft Hans Wiegel sinds zijn vertrek uit het Haagse politieke circuit er weinig bijgeleerd, afgeleerd heeft hij in ieder geval niets. De ironische deftigheid afgewisseld met gespeelde platheid, de zucht naar ‘leuk’ in het politieke spel, het malicieuze, maar ook zijn hartelijkheid, het is allemaal nog in volle glorie aanwezig.

Heeft hij voordeel van zijn reputatie in en kennis van het Haagse wereldje? Wiegel, bagatelliserend: “Hmm, denk het wel, denk het wel. Ofschoon, ze geven me niet m’n zin omdat ze denken: goh, daar heb je die aardige jongen met die blauwe ogen uit Leeuwarden weer. Misschien is het wel een voordeel dat sommigen vrezen: hij komt vast nog eens terug, dan hebben we hem weer nodig. Hahaha. Het hangt er vaak zo vreselijk sterk van af hoe je het doet. Je kunt met vliegende vaandels en slaande trommen en van wij eisen… wahwahwomwomwahwom… nou, dat zal die lui, dat zal die directeur-generaal worst wezen, nietwaar, dat er vanuit de provincie weer eens wat geëist wordt. Veel belangrijker is hoe je met elkaar omgaat. Mensen verder te krijgen dan ze van plan zijn.”

Vertel eens hoe u dat dan aanlegt.

“Kom zeg, nee, daar peins ik niet over. Dan maken allerlei andere lieden daar binnenkort ook dankbaar gebruik van, nee, dat doe ik niet. Ik denk, laat ik het zo maar zeggen, dat sfeer heel bepalend is, een normaal plezierig contact met topambtenaren op de departementen is heel erg belangrijk.”

Ongevraagd evalueert hij vervolgens: “Het gaat goed in dit gesprek, vind ik. Wat wil-ie nou, wat moet-ie daar nou in Friesland, ja, ik kan me voorstellen dat die vraag opkomt. Echt iets bereiken vind ik enig. De wedstrijd winnen heb ik altijd leuk gevonden. En nog leuker: te merken dat degenen voor wie je de wedstrijd wint dat fijn vinden. Kijk, het mooiste zijn de dingen waarvan anderen tevoren zeggen: dat zal wel niet lukken. Wat sowieso lukt, is niet leuk, daar is niks an, dat gaat vanzelf.”


We spreken elkaar op donderdag 9 augustus. Ik vraag Wiegel of hij weet waarom het een gedenkwaardige dag is. De commissaris verzinkt in gepeins. Ik zeg hem: denk eens 65 jaar terug. Op slag klaart het gezicht op: “Ome Joop, natuurlijk, vandaag is Ome Joop jarig. Die zit nu thuis. Bij Liesbeth. Aan de thee met gebak, terwijl-ie zich rusteloos bezig houdt met het bezoek. Ik hoop hem eind van de maand, op zijn receptie in Den Haag, de hand te kunnen drukken.”

Twee jaar geleden heeft u in een interview met NRC Handelsblad gezegd: “Ik zou nooit tot mijn 62ste kunnen doorgaan, zoals Den Uyl dat doet.” Wat bedoelde u daarmee?

“Nou, niet dezelfde baan.” En dan snel: “Maar je weet nooit, hoor, hoe de kaarten zich keren.” Dan, terugkomend op Joop den Uyl: “Dat verkrampte, dat verbetene van nog-een-keertje-moeten heeft-ie toch wel te veel in zich.” Wiegel hekelt de tijdgeest die voorschrijft dat ‘tegenwoordig zo nodig overal jongelui in moeten’ (hij zou toch niet zijn opvolger Ed Nijpels bedoelen?) en loopt naar de donkerbruine boekenkast in zijn aangrenzende werkkamer, waar hij een rijke collectie antiquarisch verzamelde, liberale geschriften bewaart tot uit de vorige eeuw. Keert terug al bladerend in eigen werk: Een partijtje libre uit 1968. Mompelt vanachter zijn Sumatra Cum Laude: “Prima boek… echt een standaardwerk.” Hij kan kennelijk de gezochte passage niet direct vinden en besluit tot een samenvatting: “In ieder geval heb ik toen al, eind jaren zestig, gezegd dat een soort maximumleeftijdgrens voor politici volstrekte onzin is. Als ze je niet meer willen, als je het niet meer aan kan, dan moet je uit een baan gaan. Maar leeftijd zegt niks.”


We zijn in deze fase van het gesprek al een paar uur bezig. Het wordt tijd Van Agt op te voeren. In de CDA-krant van juni verklaarde deze: “De meeste oud-ministers hebben heimwee. Ik constateer dat op onze reünies.” Hoe zit het met de heimwee van de commissaris? Het is, zo blijkt, niet het eerste aspect van het citaat waarop hij wenst in te gaan. “Die reünies, ja,” herinnert hij zich. “We zijn laatst in Luxemburg bij mekaar geweest. Eén van de vier keer is het met partner, zo heet dat geloof ik tegenwoordig. De eerste keer was dat in Brussel, toen waren we gast van Chris van der Klaauw en Frans Andriessen en in Luxemburg werden we ontvangen door Arie Pais en Pieter de Geus. Volgende keer is het waarschijnlijk in Friesland. Nou, dan praat je ’s met mekaar en de een heeft natuurlijk andere herinneringen dan de ander, bij sommigen zal de heimwee wel overheersen, maar niet bij mij.”

Vier jaar regeren – u hebt dat zelf de mooiste jaren van uw loopbaan genoemd – is toch veel te kort voor een man van 43.

“Ik zal je ’s wat vertellen. Laatst zat ik in een radioprogrammaatje van de AVRO, Kom eens langs in de Efteling. Dat ligt in Brabant, Kaatsheuvel, een programma om Dries heen. In dat programmaatje zit ook altijd een gesproken portretje. Heb ik uitgesproken. Toen heb ik daar gezegd: kijk ‘s, Dries is natuurlijk geen man om met vut te gaan, zo’n type is het niet, of-tie tot z’n 65ste blijft weet ik niet, hangt in héél belangrijke mate af van de vraag of u aardig tegen hem bent, hier in Brabant, want als u niet aardig tegen hem bent – het is een hele vreemde vogel – dan is-ie op een gegeven ogenblik misschien wel gevlogen, maar ik heb d’r ook bijgezegd: mócht-ie op een bepaald moment nog ’s van plan zijn iets anders te gaan doen, dan spreken we nu ter plekke af dat-ie dan van tevoren naar Leeuwarden belt, dan overleggen we samen, want diegenen in Den Haag die denken dat ze sowieso van ons af zijn, die hebben het mis. Applaus van de zaal.”


Geintje?

“Ehhhh… ik vond het wel een aardige opmerking van mezelf. Geintje? Nee, niet helemaal. De sfeer, dat heb ik al gezegd, is voor mij altijd heel belangrijk. We hebben een fantástische tijd gehad in dat kabinet. Fan-tas-tisch. We hebben natuurlijk ook onze narigheid gehad, maar we hebben vooral verschrikkelijk veel gelachen. En Dries vond het ook schitterend. Dat was leuk, hoor, dat was écht leuk. Dus gewoon tot de kern door: ik heb nu geen heimwee, ik ga voorlopig niet weg uit Friesland tenzij ze me weg willen hebben, maar samen terug, met het gevaar natuurlijk dat het dan zwaar tegenvalt, dat zou misschien wel prachtig zijn. Samen terug, ja.”

Dit is een ingekorte versie van een artikel dat op 25 augustus 1984 verscheen in de Haagse Post.

Jan Tromp