Hans Wiegel gaat het helemaal maken

Wiegel is nog bezig aan zijn eerste termijn als Kamerlid wanneer de Haagse Post hem in 1970 een gouden toekomst voorspelt. ‘Moeders van huwbare dochters nodigen hem uit om eens te komen logeren, vaders luisteren geamuseerd naar zijn breedvoerige uiteenzettingen over de landspolitiek.’

Drie volle weken heeft hij nodig gehad om in 1967 te beslissen of hij een Kamerzetel zou aanvaarden of niet. “Ik heb me toen suf zitten piekeren. Maar wat wil je ook. Ik was als de dood dat ik in 1971 én een gesjeesd student én een gesjeesd Kamerlid zou zijn.”

Die angst is er niet meer. Nu, na nog geen vier jaar parlementair werk, wacht Hans Wiegel (29) een grote politieke carrière. Zijn VVD draagt hem op handen. Sommigen vinden dat hij meteen maar fractieleider moet worden, anderen willen hem liever eerst nog een staatssecretariaat laten vervullen. Al in 1968 preludeert politiek leider Edzo Toxopeus onder een pilsje in het Kamerrestaurant op Wiegels riante toekomst: “Hans is mijn natuurlijke opvolger en als de partij een beetje lef heeft, maakt ze hem dat in 1971.”

Wie is de man die in zo korte tijd zo razendsnel carrière maakte? Wie is dat jongste Kamerlid, dat soms al zo oud lijkt dat hij bedrieglijk veel weg heeft van de ponderabele liberale senator Harm van Riel?

Zélf karakteriseert Hans Wiegel zich als nuchter, relativerend en verlegen. Maar die laatste eigenschap lijkt nauwelijks bij hem te passen. Bij Kamerdebatten en op VVD-congressen is hij eerder zelfverzekerd, loopt hij rond als een voldaan man, zo nu en dan zelfs een tikje eigenwijs.

Dat hij die indruk wekt, is niet zo vreemd, want Hans Wiegel groeit op in een omgeving waar de kinderen doorgaans eerder oud zijn dan elders. Hij woont in Laren, bezoekt het gymnasium in Hilversum en wordt ook door zijn ouders al vroeg volledig vrijgelaten.

Op het gymnasium is Wiegel een serieuze leerling. Hij weet al vroeg wat hij na zijn eindexamen wil gaan doen: leraar parlementaire en politieke geschiedenis worden of rechten studeren. Wiegel: “Belangstelling voor iets anders had ik niet. Ik ben nu eenmaal zeer prozaïsch.”


Als hij in 1959 zijn eindexamen haalt, kiest hij aanvankelijk voor de rechtenstudie, maar switcht al na twee maanden naar de politieke wetenschappen. Dat gebeurt voornamelijk onder invloed van professor P.J. Oud, die net de grootste liberale verkiezingsoverwinning uit de geschiedenis heeft gevierd. Wiegel, die het feest in Rotterdam bij toeval meemaakt, raakt zo onder de indruk van de grijze leider dat hij definitief voor de politiek kiest.

Trouwens óók voor de VVD, want kort daarop begint hij bijeenkomsten van de liberale jongerenorganisatie bij te wonen. Hij hoort toespraken van Haya van Someren en Hans Gruijters. Een goed jaar later is hij lid van de JOVD. “Vooral de mensen spraken me enorm aan. Het gaat in de politiek tenslotte niet alleen om de ideeën.”

Bij de liberale jongeren is hij snel populair. Hij wordt penningmeester van de afdeling ’t Gooi, schrijft stukken in het clubblad De Driemaster (‘Nederland, zuilenland’) en is spoedig lid van het hoofdbestuur. Zijn benoeming tot vice-voorzitter, in november 1963, viert hij in gepaste dronkenschap. Die avond wordt hij over de schouder van zijn afdelingspresident het tuinpad op gedragen, krijgt hij van zijn moeder te horen dat dit in de familie nog nooit is voorgekomen, maar hij weet dat alles vergeten en vergeven is als hij de volgende dag met veel succes zijn eerste grote politieke vergadering leidt.

Twee jaar later is hij voorzitter. Dan begint ook zijn serieuze politieke carrière. Gruijters is met een paar vrienden uit de partij gestapt, Wiegel wordt naar voren geschoven om te laten zien dat de VVD heus nog wel andere jongeren heeft. Op verzoek van Henk Korthals, Molly Geertsema, Van Riel en Toxopeus aanvaardt hij een verkiesbare plaats op de kandidatenlijst voor de verkiezingen van 1967. Als hij op 18 april van dat jaar wordt beëdigd, is hij Nederlands jongste Kamerlid.


Wiegel doet zijn werk grondig. Als een bezetene rijdt hij het land door, houdt werkbezoeken, praat met mensen, neemt deel aan discussies en vervult spreekbeurten. In de Kamer is hij belast met volkshuisvesting, binnenlandse zaken en onderwijs en wetenschappen. Soms werkt hij honderd uur per week.

In korte tijd verwerft Wiegel zich zo een uitstekende naam. Collega-Kamerleden bewonderen zijn snel opgedane kennis van zaken en prijzen zijn politieke feeling. Bij journalisten staat hij goed bekend om zijn slagvaardigheid in het Kamerdebat. Maar verreweg het beste image heeft hij in zijn eigen partij. Hij lijkt trouwens voor een liberale partij geschapen: een beschaafd spreker, goed in het pak, opgewekt, vriendelijk voor iedereen, gezellig op feestjes, sigarenroker, sherrydrinker en erg aardig om mee te praten.

De VVD is dan ook dol op hem. Vooral op partijcongressen is dat duidelijk merkbaar. Als hij binnenkomt, wordt er veelvuldig naar hem gezwaaid. Mensen roepen hem, spreken hem aan en drukken hem de hand. Zijn toespraakjes ontlokken overdreven veel gelach en applaus. Op het feestje na afloop is hij een gewild danspartner. Moeders van huwbare dochters nodigen de vrijgezel uit om eens te komen logeren, vaders luisteren geamuseerd naar zijn breedvoerige uiteenzettingen over de landspolitiek.

Overigens lijkt de bewondering van veel liberalen minder voor de politicus Wiegel bestemd dan voor het enfant terrible Wiegel, de jongen die het allemaal zo leuk kan zeggen en die het tussen al die bloedserieuze Kamerleden zo aardig doet. Zo dreigt Wiegel een politieke nar te worden. Sommigen zijn er zelfs van overtuigd dat hij niet meer dan een nar is, dat achter het masker geen eigen mening en eigen visie schuilgaan. Zij noemen hem een nihilist, een windvaantje dat met alle richtingen mee kan draaien, een politieke kameleon.


Die karakteristiek is een van de weinige dingen waar hij razend om kan worden. Wiegel: “Dat is een aantasting van mijn integriteit die nergens op slaat. Ik houd er domweg niet van om met mijn emoties en mijn idealen op een dienblaadje door de politieke etalage te wandelen. Maar daarom ben je nog geen politieke nihilist.”

Verder laat hij zich niet uit z’n tent lokken. Hans Wiegel mag dan bestrijden dat hij een politieke nihilist is, het bewijs is nog niet overtuigend geleverd. Want deze waarschuwing van de partijtop hanteert hij wel erg strikt: wat fel brandt, brandt kort. Maar daar staat iets tegenover: wat niet brandt, gaat uit.

Dit is een ingekorte versie van een artikel dat op 16 december 1970 verscheen in de Haagse Post.

Robbert Ammerlaan