Kroniek van een formele relatie

Correspondentie tussen schrijvers heeft weinig te maken met de waarheid, aldus W.F. Hermans. Zijn gebundelde epistels aan Bordewijk kunnen dusbest leugens bevatten, maar hun band is er niet minder interessant om.

Lang na de dood van Multatuli, lang na de vijfde druk die nog door hemzelf is gecorrigeerd, kwam in 1920 nog een vierde druk uit van Max Havelaar. Multatuli’s weduwe vond de vierde druk namelijk mooier dan de vijfde. Dat is later weer hersteld, maar als het aan de vrouw van Multatuli had gelegen, zouden wij nu nog steeds de druk lezen waaraan Douwes Dekker nog heel wat heeft verbeterd.

Willem Frederik Hermans vond die vierde druk ontoelaatbaar. “Ik vind dat weduwen over die dingen niets te beslissen hebben,” zei hij in een rede die hij in 1998 hield in het Letterkundig Museum.

Maar wie mogen die beslissingen dan wel nemen? Dat vroeg ik me vorige week af in deze rubriek.

Als ik afga op wat Hermans hierover betoogde, en wat is opgenomen in het zojuist verschenen veertiende deel van zijn Volledige Werken, dan kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat Hermans eigenlijk vond dat niemand daar het recht toe heeft. Het liefst zou Hermans uit zijn graf stappen om eenieder die ook maar met één vinger naar zijn tekst wijst achteruit te duwen.

En als dat niet kan, zou hij over de schouders willen meekijken van degenen die zijn nagelaten werk redigeren. Het zou me niet verbazen als medewerkers van het Huygens Instituut, die de Volledige Werken bezorgen, de laatste jaren significant vaker geesten zien. Geesten die door gangen dwalen, kasten openbreken, en die ’s nachts manuscripten op andere plaatsen leggen dan waar ze zijn achtergelaten. Het zou me ook niet verbazen als medewerkers van het Huygens Instituut significant vaker in hun slaap worstelen met gewetensvragen die hun door iets, of misschien wel door iemand, zijn ingefluisterd.


Misschien hebben ze wel geestelijke bijstand nodig.

Als het aan Hermans had gelegen, zou zijn oeuvre blijven zoals hij het achter heeft gelaten. Wat gepubliceerd is, is gepubliceerd, en daar zou het bij moeten blijven.

In die rede van 1998, getiteld Relikwieën en documenten, spreekt Hermans zich ook uit over brieven die na de dood van een schrijver worden gevonden. Hermans mag zelf een gepassioneerd brievenschrijver zijn geweest, jegens het waarheidsgehalte van brieven koesterde hij een groot wantrouwen. “Alom wordt de waarheidszoeker belaagd door onzekerheid en bedrog,” schrijft hij. Je weet het met brieven nooit. Bewaarde brieven kunnen leugens bevatten, terwijl de waarheid juist blijkt te staan in die ene brief die opzettelijk is verbrand.

In zijn rede zegt Hermans net niet dat het Letterkundig Museum alle schrijversbrieven moet vernietigen, maar het bewaren van brieven als literaire relikwieën kan nauwelijks op zijn goedkeuring rekenen.

Met die opvatting in het achterhoofd ligt daar de briefwisseling tussen Willem Frederik Hermans en F. Bordewijk, nadat eerder de briefwisselingen van Hermans met Gerard Reve en met Rudy Kousbroek zijn verschenen. Hoeven wij ons geen illusies te maken en gaat het hier om een serie gebundelde onwaarheden, leugens en bedrog?

Zo ja, dienen wij dan in de geest van de overleden schrijver te handelen door al die onwaarheden, leugens en dat bedrog zo snel mogelijk van de aardbodem te laten verdwijnen? Dat is wat Hermans ook wilde met alle drukken die niet de laatste druk waren.

Het antwoord op de eerste vraag kan kort zijn. Ja, ook de brieven van Hermans zouden weleens onwaarheden, leugens en bedrog kunnen bevatten, en daarom zijn ze juist zo interessant.


Daarentegen zou ik de tweede vraag ontkennend willen beantwoorden, om de eenvoudig reden dat er te veel moois verloren zou gaan, wanneer die brieven met al hun onwaarheden, leugens en bedrog worden vernietigd of achter slot en grendel verdwijnen. Hermans zelf was een bewonderaar van Kafka, wiens meesterwerken nooit geopenbaard zouden zijn als zijn collega Max Brod zich had gehouden aan Kafka’s wens om alles wat hij geschreven had te vernietigen. Zoals wij blij moeten zijn dat Brod zich daar niet aan heeft gehouden, zo moeten wij ook blij zijn dat het Huygens Instituut – tegenwoordig Huygens ING geheten – uiteindelijk zijn eigen gang gaat en zich niet laat ringeloren door de voorschriften van een overleden schrijver.

Dus, allez!

De correspondenties tussen Hermans en Reve en die tussen Hermans en Kousbroek zijn briefwisselingen over een verloren vriendschap. De vriendschap tussen Hermans en Bordewijk kwam nooit tot stand. Ze hebben elkaar een paar maal in levenden lijve ontmoet, maar een warm gesprek is het nimmer geworden. Bordewijk wilde maar niet uit de plooi komen, en in het sociale verkeer was Hermans natuurlijk ook geen joviale figuur die zijn arm om de schouder van een ander legde.

De eerste brief, daterend van 15 juni 1944, is van de dan 23-jarige Hermans. Hij stuurt de 36 jaar oudere Bordewijk enige verhalen, die door D.A.M. Binnendijk zijn afgewezen. Volgens Binnendijk, die destijds voor uitgeverij Meulenhoff werkte, had Hermans het werk van Bordewijk min of meer geplagieerd. Hermans richtte zich zodoende tot de bron en wilde weten wat Bordewijk er zelf van vond.


Bordewijk antwoordde na enige tijd dat hij wel overeenkomsten zag, maar dat hij het oordeel van plagiaat sterk overdreven vond. Naarmate de correspondentie vorderde en hij het werk van Hermans steeds meer ging waarderen, kregen de overeenkomsten de gedaante van ‘een onmiskenbare verwantschap’, zoals Bordewijk het noemde.

Overigens zou ook Binnendijk zijn mening later herzien. In 1952 trad Binnendijk op als getuige in het proces dat tegen Hermans werd gevoerd naar aanleiding van de roman Ik heb altijd gelijk, waarin het katholieke volksdeel door de hoofdpersoon wordt beledigd.

Opvallend aan de briefwisseling is dat de twee schrijvers elkaar tot het eind in 1965 formeel blijven bejegenen.

Maar ondanks het afstandelijke van de brieven kun je er ook veel oprechtheid in terugvinden. Zo vind ik de vermaning van Bordewijk dat men ‘altijd voor de jeugd moet schrijven’ voor een schrijver van zijn leeftijd getuigen van een diep inzicht, want in feite is voor de jeugd schrijven de enige manier voor een schrijver om te blijven bestaan.

Alleen: voor de jeugd blijven schrijven, hoe doe je dat?

Wat Hermans betreft: zijn ontboezeming over de Mandarijnen laat zien dat hij niet alleen anderen meedogenloos kon bekritiseren, maar ook zichzelf. Zo schreef hij: “Er blijft nu eenmaal altijd een kloof tussen de alledaagsheid en de literatuur. Mandarijnen op zwavelzuur is mede een poging te komen tot een soort literair verantwoorde querulanterigheid (zo zou je het ietwat huiselijk kunnen noemen), een soort hogere ruzietoon dus, even verschillend van gewone ruzie als de sonnetten van Petrarca of Die Leiden des jungen Werthers verschillen van het gekrijs van een krolse kater…”


Laten wij daarom blij zijn dat deze briefwisseling er is gekomen. Zelfs een dode Willem Frederik Hermans kan niet altijd gelijk krijgen.

Willem Frederik Hermans & F. Bordewijk: ‘Een onmiskenbare verwantschap – Brieven 1944-1965’. De Bezige Bij, €19,90. Ook verkrijgbaar via ako.nl.

import pam