Niemand kent mij

In één week was de sportwereld getuige van de onhandige terugkeer van het ene supertalent en een voorproefje van het afscheid van het andere.

Op maandag zond de EO Niemand kent mij uit. Het betrof een documentaire over Thomas Dekker, maar die kent u niet. Misschien kent u de wielrenner Thomas Dekker, die ooit een even groot als onuitstaanbaar talent was en wiens bloedwaarden schommelden als een kind in een speeltuin, maar de mens Thomas Dekker, die kent niemand. “Ik kan moeilijk iedereen vragen om eens een avondje naast me op de bank te komen zitten,” mompelde hij. Uit de rest van de documentaire – en ook uit de tegelijk gepubliceerde biografie – bleek dat het misschien wel een goed idee zou zijn: gewoon op de bank gaan zitten.

We zagen Thomas in zijn Porsche de oprit van zijn Belgische villa op stuiven en vervolgens met een binnenhuisarchitect een rondje maken. Hij keek naar buiten, waar een parkachtige tuin hem troosteloos aanstaarde door de beregende ramen. Hij hield niet van tuinieren. Misschien wilde zijn vriendin wel op een grasmaaiertje gaan zitten.

Ander beeld: Thomas in het huis van een van zijn grootste fans, in Luyksgestel. Zwijgend propt hij zijn ontbijt naar binnen voor hij op training gaat. Omkleden doet hij in een kamer boven, de muren volgehangen met foto’s met zijn beeltenis. Thomas op het NK, Thomas in de Tour, Thomas tussen twee missen.

Thomas, Thomas, Thomas.

Narcissus stierf toen hij, gehypnotiseerd door liefde voor zijn eigen spiegelbeeld, in het water tuimelde en verdronk. Thomas Dekker viel in het mes van zijn eigen karakterzwakte. Hij overleefde het, maar zijn imago lag in scherven. Dure designscherven weliswaar, maar kapot is kapot.

Zijn schorsing werd op 1 juli opgeheven. Een dag later startte de Tour, de wedstrijd die Thomas Dekker ooit had hebben zullen kunnen moeten willen winnen. Er was geen ploeg die het met hem wilde proberen. De documentaire en het boek, de takjes via welke gedrogeerde sporters zich altijd weer een weg uit de vergetelheid klauteren, maken van Dekker ook al geen catch. Nu rijdt hij een maand lang kermiskoersen, met dank aan een privésponsor.


Op het gras van Wimbledon werd Roger Federer twee dagen na Dekkers mislukte rehabilitatie van het centre court gemept door een Franse reus met een rugbynaam. Jo-Wilfried Tsonga – de donkere broer van Joran van der Sloot – sloeg als een ballenkanon. De eerste twee sets wist Federers talent nog te weerstaan aan Tsonga’s biceps, maar naarmate de tijd verstreek begon de Zwitser steeds vaker onzichtbare druppeltjes van zijn voorhoofd te strijken.

Na ruim vier uur op de baan was Tsonga de sterkste. Letterlijk. Hij had de talentvolste van hen tweeën eenvoudigweg verpletterd, hij was er overheen gedenderd als een wals over vers gelegd asfalt. De Galliër had de Romeinse overheerser uit het toernooi geramd.

Tsonga zeeg door zijn knieën, rende naar het net om zich te laten feliciteren en huppelde vervolgens stuurloos over de baan, zijn imposante armen zegevierend in de lucht. De camera’s registreerden de vreugde van de verrassing. Buiten beeld keek Roger Federer verslagen voor zich uit. Toen de regisseur hem weer had gevonden, was hij al bezig zijn tennistas in te pakken, met een zorgvuldigheid alsof deze dag pas echt verpest zou zijn als hij een paar vuile sokken op het centre court zou laten liggen.

Het was ontroerend om te zien hoe Federer zijn meerdere erkende in een speler die in bijna alles zijn mindere was. Dáár, in het zicht van de camera’s, legde hij zich neer bij de macht van de armen die zijn brille hadden fijngeknepen.

Wie weet keek Thomas Dekker ook naar Federer. Misschien keek hij wel naar het gras, en vroeg hij zich af wat voor maaier ze daarvoor gebruikten. Hopelijk dacht hij, heel even maar: Niemand kent mij. Maar wat geeft dat?

import frank heinen