Rancune in de ether

In het voorjaar van 1933, toen Duitsland definitief bezweek voor het nationaal-socialisme, vroeg de jonge Sebastian Haffner (1907-1999), auteur van meesterwerken als Het verhaal van een Duitser, 1914-1933, zich af wat voor houding hij tegenover de heersende macht zou moeten aannemen.

De nazi’s verlangden van hem dat hij zou walgen en haten, net als zij. Maar Haffner had geen aanleg om te haten; het lukte hem zelfs niet hen te haten die van hem verwachtten dat hij haten zou, hoeveel aanleiding ze daartoe ook gaven.

Toevallig las hij op dat moment Stendhal, die net als Haffner, maar dan bij de Restauratie van 1814, zijn land ‘een val in de drek’ zag maken. Het enige wat het waard was om aandacht en moeite aan te besteden, meende Stendhal, was ‘het ik heilig en zuiver te houden’.

Haffner besloot zich te hoeden voor ‘iedere vorm van medeplichtigheid’, maar ook voor ‘iedere verminking door haat’. Contact diende zo veel mogelijk vermeden; het ging om ‘afwenden, terugtrekking op het kleinste plekje’.

Slechts een tijdje hield Haffner deze houding vol. De gebeurtenissen waren te ernstig – hij had een joodse vriendin, de sfeer binnen zijn vriendengroep raakte vergiftigd – en dwongen hem uit zijn diepste innerlijk tevoorschijn te komen.

Als ik PVV’er Martin Bosma bezig zie, moet ik aan Haffners strategie denken. Zodra Bosma in het Journaal verschijnt, met dat even rancuneuze als lachwekkende voorkomen, of als ik in de krant een uitspraak van hem lees, heb ik de neiging weg te vluchten in mijzelf, misschien uit vrees door iets besmet te raken, zoals bij het eten van taugé. Vermoedelijk om die reden haalde Bosma deze rubriek nog niet. Terwijl hij welbeschouwd een überuilskuiken is, het protoype van de domheid.

Zoals bij zoveel PVV’ers wekt die domheid voornamelijk de lachlust op. Het is moeilijk kiezen, maar ik denk dat ik mij in oktober 2009 het best heb vermaakt, toen Bosma Kamervragen stelde over een Kinderen voor Kinderen-liedje uit 1993, waar de kreet ‘Allah Akbar’ in voor kwam. De jihad zou zich ongemerkt in kinderhoofdjes nestelen, klaar om op enig moment in actie te komen.


Vorige week deed Bosma opnieuw een gedenkwaardig voorstel om het verder oprukken van de islam te voorkomen: op Radio 2 moet minstens eenderde van de gedraaide liedjes Nederlandstalig zijn. Zodoende wassen wij in de hoofden van onwetende luisteraars vreemde invloeden weg om er een vertrouwd vaderlands gevoel voor in de plaats te brengen.

Wat Bosma er niet bij vertelt, is dat hij een tijdlang zelf verantwoordelijk is geweest voor niet-patriottische geluiden op de ether. In 2002, na zijn vertrek bij de Wereld-omroep, die nu hij mediawoordvoerder is van hem kapotbezuinigd mag worden, werd hij directeur van Colorful Radio, een multiculturele zender die met R&B, latin en soul mikte op met name Marokkaanse, Turkse en Antilliaanse jongeren. In dagblad Trouw zei directeur Bosma destijds dat het oneerbiedig was om zijn station een ‘allochtonenzender’ te noemen. “Dat zijn we nadrukkelijk niet: we zijn multicultureel.”

Hij was een bevlogen directeur, op het North Sea Jazz Festival deelde hij flyers uit om bezoekers bekend te maken met zijn multiculturele zender, die niet lang daarna werd opgedoekt. Martin Bosma, het latere brein van de PVV, op een muziekfestival, een folder in zijn uitgestoken hand, achteloos voorbijgelopen door blowende rasta’s. Zijn rancune van nu, het zichtbare genot waarmee je hem ziet haten; het zal ergens in die tijd zijn ontstaan.

Ik hoop dat Radio 2 heel veel liedjes van Herman van Veen zal draaien, een niet te negeren grootheid binnen het genre van het Nederlandse lied. Maar Herman van Veen heeft de PVV met de NSB vergeleken, dus dat zal wel niet mogen.

import joris van casteren