Waarheen leidt de weg?

Leren leven houdt ons bezig tot aan onze dood. Hoe weet je of je wel goed leeft, het maximale eruit haalt, niet te veel of te weinig geniet of werkt? Volgens de Chinese taoïstische filosofie is een levenskunstenaar iemand die meer nadrukt legt op de zoektocht zelf dan op een einddoel. Het bewandelen van de weg, zonder al te grote verlangens of doelen, is het beste dat we kunnen doen. “Wie geen verlangens koestert, aanschouwt hun mysterie; wie verlangens koestert, aanschouwt hun gedaante,” schrijft de Tao Te Ching ofwel Het boek van Weg en Deugd over hemel en aarde. Als filosofisch begrip is ‘de Weg’ de totale werkelijkheid, zonder begin of eind. Dit concept wordt wel geïllustreerd in parabels waarin Oost en West tegenover elkaar staan. De westerling is de stereotiepe jakkeraar, die de wereld niet als geheel ziet, maar verdeeld in korte targets. De oosterling kan hem, wanneer hij net de tram heeft gemist, fijntjes meedelen dat er voor iedereen 24 uren in een dag zitten, en dat tijdwinst feitelijk onmogelijk is. Waarom hoor je vaak dat ‘de weg het doel moet zijn’, en wat is daarvan waar?

“Vorige zomer ben ik van Amsterdam naar Delphi gefietst. Niet alleen de aankomst was belangrijk, maar de hele weg. Het doel kleurde de weg uiteraard wel. Mijn vriend was al een paar keer naar Rome gefietst, en zei dat ik eens mee moest. Maar Rome is voor mij geen doel: daar woon ik al. Daarom riep ik spontaan dat we naar Delphi moesten. Het Orakel van Delphi is door de eeuwen heen voor veel mensen een bijzonder doel geweest, en heeft als opschrift ‘Ken uzelve’. Ik dacht van tevoren dat ik tijdens zo’n lange reis mezelf beter zou leren kennen. Zo had ik altijd een hekel aan sport, maar het fietsen bleek me heel goed te bevallen.

“Bij het schrijven van een boek ben je blij als het doel bereikt is, maar je voelt je ook leeg. Na verloop van tijd ga je weer verlangen naar het creatieve proces, naar het ‘reizen’. Voor mijn boek Schimmenrijk, dat gaat over de Etrusken, had ik een schema gemaakt bestaande uit zeven hoofdstukken. Gaandeweg merkte ik dat ik mijn plan moest bijstellen. Onderweg krijg je nieuwe ideeën, en het is belangrijk daarvoor open te staan. Ook in het leven moet je plannen maken, maar je moet jezelf toestaan ervan af te wijken indien nodig. Het is het midden houden tussen een speelbal zijn van het leven enerzijds, en je blindstaren op een voornemen anderzijds.”

“Sinds Aristoteles is het ‘nu’ niets anders geweest dan het moment dat verleden en heden scheidt – in essentie een nanoseconde. Om daar zin aan te geven móest er wel iets zijn waar je je naartoe bewoog. Godsdiensten stelden dus altijd iets in het vooruitzicht, bijvoorbeeld het compleet worden van de mens, beloning of wedergeboorte.

“Het existentialisme benadrukt de absolute vrijheid van het nu. Volgens Sartre leven we vaak ‘te kwader trouw’, doordat we te weinig verantwoordelijkheid nemen voor het vormgeven van die vrijheid. We volgen de gebaande paden, zonder dat we daarvoor echt engagement voelen. Maar alle wezens zijn er nu eenmaal, op zichzelf teruggeworpen en vrij om te bepalen wat ze doen, zelfs in de meest penibele situatie.


“Je kunt inderdaad elk moment iets anders kiezen. Maar de mens blíjft zichzelf beknechten omwille van de ideeën die hij waar wil maken: een positie bereiken, een boek schrijven. Op het werk denk je: wat zal ik vanavond eten? Na het eten: wat zal ik nu eens gaan doen? Onze belangrijke attributen – horloges, agenda’s – onderstrepen de doelgerichtheid van ons handelen. Het doel is uiteindelijk altijd belangrijker, want dat is hetgeen waarnaar je je leven inricht.

“Wie iets wil bereiken, moet moeilijke tijden doorstaan, anders heb je geen achtergrond om je prestatie tegen af te zetten. Arthur Schopenhauer had bijvoorbeeld al jong zijn hoofdwerk geschreven, moest lang leuren om het gepubliceerd te krijgen, maar bleef ervan overtuigd dat het goed was. Aan het einde van zijn leven werd hij pas gewaardeerd. Hij heeft dat bereikt door stug vol te houden, ook al was de weg niet prettig. Moeilijk, doelgericht werken kan zeer constructief zijn, en belangrijker dan het instantgeluk onderweg.”

“Eigenlijk gaat het leven om iets heel simpels: je gaat op reis, je komt terug, en daartussenin is er iets veranderd. Dat is een basismythe, en ook de invulling van ons bestaan. Een echt doel zie ik niet: het leven is gewoon een zinloze toestand waar je maar het beste van moet maken. En om dat goed te kunnen doen, stel je jezelf doelen, bijvoorbeeld voor een jaar of een dag. Ik ga bijvoorbeeld een grote expeditie door Siberië en China opzetten, lopend met paarden en kamelen. De reis gaat door bergen en kloven; ik houd ervan om dingen te doen die onmogelijk lijken. Je moet zo’n reis plannen als een militaire expeditie: visum, papieren, geld… Maar net zoals een architect het gebouw dat hij wil maken in één ogenblik voor zich kan zien, zo zie ik ook een reis.


“Ik heb twintig jaar door de woestijn van Soedan en Egypte gereisd met minimale middelen. Toen ik daarvoor mijn baan opzegde, moest ik heel creatief worden. Een maandenlange woestijnreis kan 10.000 euro kosten. Het is de kunst om visionair te zijn, en tegelijkertijd heel praktisch. Mensen werpen vaak praktische problemen op om hun droom niet te realiseren, maar er is meer mogelijk dan je denkt. Als je maar uit de tredmolen durft te stappen.

“Ik geloof niet dat mensen jarenlang tegen hun zin werk moeten verrichten voor een hoger doel. Als anderen het wel zo willen, hebben ze mijn zegen, maar ik vind het tijdverspilling. Tegelijkertijd is het onzin om met alle winden mee te waaien; het is goed om iets af te maken. Als andere mensen horen dat ik naast reiziger ook bioloog ben, gaat er een zucht van verlichting door ze heen: gelukkig, ze kan ook gewoon denken en iets afmaken!”

Isabelle Buhre