Alphen, de reconstructie

Drie maanden geleden schoot Tristan van der Vlis drie wapens leeg op de winkelende mensen in de Ridderhof in Alphen aan den Rijn. Zeventien mensen raakten gewond, zeven mensen, inclusief hijzelf, overlijden ter plekke. Wat gebeurde er die dag precies, en wie waren de slachtoffers?

Peter Onyegbari kijkt Tristan van der Vlis recht in de ogen en ziet totale rust. Koelte. Tristan, een jongen van 24, draagt camouflagekleding en een dikke zwarte jas. Hij heeft een geweer vast dat hij omhoog houdt tegen zijn borst. De loop wijst naar de helderblauwe lentelucht.
Het is zaterdag 9 april, iets voor twaalf uur ’s middags, en de 45-jarige Peter, van oorsprong een Nigeriaan, is net winkelcentrum de Ridderhof in Alphen aan den Rijn uit gelopen, via de uitgang naar het Carmenplein. Vlak achter hem loopt een Syrische man, Nadim Youssef. Onder aan de trap komt Peter een oude bekende uit Leiden tegen. Hij blijft staan en draait zich om naar zijn vriend. Nadim loopt door naar zijn auto, die vlak voor hen aan de stoep is geparkeerd, en steekt zijn autosleutel in het slot.
Net als Peter met zijn kennis wil gaan praten, hoort hij ‘ratatatata’. Hij draait zich om en hoort glasgerinkel. De autoruiten sneuvelen rond Nadim, die nog steeds voorovergebogen staat en zijn sleutel  probeert om te draaien. Dan ziet Peter Nadim naar zijn buik grijpen, terwijl hij kreet slaakt. Ten slotte zakt hij op de grond in elkaar.
Peter begrijpt niet wat er gebeurt. Is het een spelletje? Wordt er iets nagespeeld uit een film? Hij kijkt om zich heen om te zien waar het geluid vandaan is gekomen.
Als hij aan zijn vriend wil vragen of die soms weet wat er aan de hand is, ziet hij hem vanuit zijn ooghoek wegrennen. Daarna ziet hij Tristan.
Tristan laat zijn geweer langzaam zakken en richt dan in Peters richting. Het enige dat Peter kan denken is: weg!
Alles gaat razendsnel. Hij laat de boodschappentassen met gehakt, pepers en broodjes uit zijn handen vallen en zet het op een lopen. ‘Ratatatatata’ hoort hij weer, nu achter zich. De kogels vliegen om hem heen. Dan voelt hij hoe de koude stukjes metaal de achterkant van zijn armen raken, zich er met het volste gemak doorheen boren en de andere kant van zijn armen met bloed en al weer naar buiten komen.
Hij weet dat ik hem gezien heb, denkt Peter. Hij wil geen getuigen. Hij wil mij dood hebben. Hij komt achter me aan. Niet omkijken. Doorrennen. Peter heeft zijn slippers uit getrapt om vaart te kunnen maken.
Tussen het Carmenplein en de Burgemeester Bruins Slotsingel is een fietssluis – drie strategisch geplaatste hekken tussen restaurant Pyramide en een flatgebouw – die moet zorgen dat voorbijgangers niet al te veel vaart kunnen maken. Maar die hindernis kan Peter nu niet gebruiken. Niet stoppen, springen! denkt hij. Hij zet zich af met zijn ene been, en terwijl hij de lucht in gaat, hoort hij achter zich opnieuw: ratatatata. In zijn sprong voelt hij de kogels die waarschijnlijk voor zijn bovenlichaam waren bestemd in zijn bovenbenen dringen. Door zijn linkerbeen komt één kogel weer naar buiten. Een andere blijft zitten. Hij verliest zijn evenwicht en valt over het hekje. Doorgaan, denkt Peter. Niet blijven liggen. Lopen. Weg!

Lees het gehele artikel in de HP/De Tijd van deze week.

Ivo van Woerden