Exclusief interview met Nobelprijswinnares Herta Müller

Nobelprijswinnares Herta Müller is vooral bekend als prozaschrijfster, maar maakt al een half leven lang ook poëziecollages. Voor het eerst zijn die nu in het Nederlands vertaald. Een exclusief interview.

Het winnen van de Nobelprijs in 2009 moet voor de Roemeense Herta Müller (1953) zowel een zegen als een kwelling zijn geweest. De vele reizen en lezingen, de aandacht voor haar persoon en de talloze interviews en fotosessies die volgden hebben haar uitgeput. Steeds opnieuw worden de eindeloze verhoren opgerakeld, waaraan ze jarenlang door de geheime dienst is onderworpen tijdens de dictatuur van Ceau?escu. De spanning – angst zelfs – is van haar gezicht af te lezen. Niet alleen haar ogen verraden de schade die in haar is aangericht. Haar elegante gestalte, klein en tenger en altijd in het zwart gekleed, oogt krachtig en fragiel tegelijk.

Ter gelegenheid van het verschijnen van De rokkenjager en diens bijdehante tante, de eerste bundel poëziecollages die in het Nederlands wordt uitgebracht, geeft ze slechts één interview. “Het hoeft hopelijk toch niet zo lang te duren?” vraagt ze nerveus.
Maar als ze over haar collages vertelt, staand aan de lessenaar waarop ze die fabriceert, maakt de ernst even plaats voor een haast kinderlijk enthousiasme. Hoewel Herta Müller vooral bekend is als prozaschrijfster, maakt ze al een half leven lang collages van beelden en gedichten. In Duitsland publiceerde ze drie bundels en ze maakte er ook een in het Roemeens. Haar collages zijn ook verkrijgbaar als posters en behang.
Wat begon als een uitingsvorm uit noodzaak – het gebruiken van een typemachine was gevaarlijk tijdens de dictatuur, want die was traceerbaar – is een noodzakelijke uitingsvorm geworden. Ze heeft er inmiddels een stuk of duizend gemaakt en stuurde ze ook als kaartjes naar vrienden. Müller gebruikt er de meest uiteenlopende tijdschriften voor: van opiniebladen en modeglossy’s tot de reclamefolder van de biologische winkel. “Ik ben waarschijnlijk de enige persoon die deze folders graag wil hebben,” lacht ze. “Ze gebruiken een drukletter die eruitziet als handschrift – dat ziet er optisch goed uit. Ik neem er altijd twee of drie van mee.”
Her en der verspreid liggen stapels kapot geknipte tijdschriften, de lessenaar en de stoeltjes ernaast zijn bezaaid met stukjes papier. “Kijk,” roept Müller, “dan pak ik een plaatje, en dan heb ik hier allemaal woorden.” Ze neemt een witte briefkaart waarop al een paar woorden zijn vastgeplakt, rommelt tussen de knipsels, schuift met woorden als HUNDEPFOTEN en SCHULDIGEN, vist er ten slotte UND uit. “Hierboven heb ik een grote UND nodig, hier beneden een kleine,” wijst ze. “Vanuit een woord dat ik in mijn hoofd heb, ontstaat een verhaaltje. Als ik de juiste woorden en het plaatje heb, ga ik ze op de kaart schikken, waarbij ik let op grootte en op kleuren, want die moeten samengaan. Ik moet het op de tafel zien liggen. De collage moet er mooi uitzien, er moet binnenrijm in zitten, en ritme. Dit felgekleurde woord FÜR bevalt me niet meer, ik wil een neutralere. En HAST moet ook verdwijnen, ik wil het groen eruit. En dan vervang ik DER voor een zachtrode variant, zodat die past bij de kleur van de vos uit het plaatje.”

Lees het gehele artikel in de HP/De Tijd van deze week.

Vivian de Gier