Te erg voor woorden

Steeds meer romans gaan over persoonlijk leed en treurnis. Sterfte, ziekte, verkrachtingen en andere ellende zo realistisch mogelijk opschrijven lijkt een trend, en we lezen het. Waarom eigenlijk?

Voor het verlies van een kind staat tien jaar. Het schijnt niet zo gek veel uit te maken wat je in die tien jaar doet. Huilen, jezelf opsluiten, doorleven, ontkennen of verwerken, wegdrinken, van je af schrijven. Hoe dan ook, na tien jaar wordt het ietsje lichter, is de belofte.
Waarschijnlijk is het verliezen van een kind het allerergste wat je kan overkomen. Iedereen die kinderen heeft, kent de wanhopige kwetsbaarheid ervan en de nachtmerries die soms opkomen over dat allerergste. Daarnaast denk je er heel hard liever niet aan.
Zou je willen weten hoe het voelt? Sommigen kunnen het vertellen, en doen dat ook. A.F.Th. van der Heijden, om een recent voorbeeld te noemen, vertelt in Tonio (2011) realistisch over de dood van zijn zoon.

Hij is niet de eerste die schrijft over een dood kind. Onder anderen Jan Wolkers (Een roos van vlees, 1963), Boudewijn Büch (De kleine blonde dood, 1985, het bleek pas láter niet echt), P.F. Thomése (Schaduwkind, 2003) en Anna Enquist (Contrapunt, 2008) gingen hem voor. Opmerkelijk aan Tonio is dat het boek veel gelijkenissen vertoont met het werkelijke verhaal van Tonio van der Heijden. De vraag is: wil je het ergste wat er kan gebeuren, rauw realistisch opgeschreven, echt lezen? De jongen leren kennen als je bij voorbaat weet hoe afschuwelijk zijn verhaal afloopt? Wil je de pijn van de ouders wel weten, die je je helemaal niet kunt voorstellen, maar ergens een klein beetje wel?
Hetzelfde kunnen we ons afvragen bij Kluuns Komt een vrouw bij de dokter (2003): willen we weten hoe het voelt om je vrouw te bedriegen die op haar sterfbed ligt? Of Tiger, tiger (2011) van de Amerikaanse Margaux Fragoso: wil je weten wat het is om jarenlang seksueel misbruikt te worden? Of meer: wat er door het kleine meisje haar hoofd ging, onbeschermd blootgesteld aan de wellust van een volwassen man? Hoe waren de 3069 Tage (2010) van Natascha Kampusch in de kelder van de man die haar opsloot? Mocht je het willen weten, het is opgeschreven.
Het zou ook heel goed kunnen dat je dat helemaal niet wilt lezen. Zijn sommige dingen niet té erg voor woorden? Wat is de noodzaak van het schrijven en vooral, de noodzaak van het lezen van dergelijke autobiografische literaire treurnis? Zou het ergens goed voor zijn, zou het verlichtend werken? Of maakt het ons alleen maar onnodig ongelukkig en bezorgd?

Lees het gehele artikel in de HP/De Tijd van deze week.

Pauline Bijster