Verborgen verleiders

[[image file=”2011-07/hp30.jpg” ]]

Deze week in HP/De Tijd:

Het is hoog zomer: love is in the air. En dat valt te ruiken. Nieuwe partners vinden we vaak onbewust met onze neus. Nu moet het ultieme onweerstaanbare luchtje er nog komen, maar daar wordt aan gewerkt.

Goed, je bent vrouw. Stel jezelf de vraag: waaraan moet een aantrekkelijke man voldoen?
Hij moet mooie ogen hebben, natuurlijk. Hij moet een stralende lach hebben, liefst met een kuiltje in de wang. Hij moet iets jongensachtigs hebben. Hij mag best een beetje breed zijn.
En hij moet lekker ruiken. Een stinkende man is veel erger dan een lelijke man. En dan hebben we het niet eens over stinkende kleren of stinkende adem: iemands lichaamsgeur kan een afknapper van de eerste orde zijn. Voor vrouwen in elk geval, maar die ruiken nu eenmaal veel beter dan mannen. Die vinden geur ook wel belangrijk, zo laat onderzoek zien, maar zij letten toch echt meer op uiterlijkheden. Ze weten echter heel goed dat een lekker luchtje wonderen kan doen. Geen wonder dat er miljarden omgaan in de wereld van de deodorants en de parfums.
Maar daarmee is niet het hele verhaal verteld. Als we iemand tegenkomen, en daar is het nu wel bij uitstek het seizoen voor, nemen we veel meer in ons op dan de geur die ons tegemoet komt. We laten ons gedrag onbewust sturen door subtiele chemische signalen die niemand kan ruiken, zien of proeven. Het zijn stofjes die in lichaamsvloeistoffen zitten, vooral in zweetdruppeltjes. Er zijn er die bijna onweerstaanbaar zijn voor de andere sekse. Tenminste, als het bij mensen allemaal net zo werkt als bij dieren.
In het dierenrijk is het zo simpel: daar kun je ongegeneerd laten weten dat je dringend behoefte hebt aan seks. En wel aan iedereen die maar in de buurt is. Je scheidt een stof af die soortgenoten van de andere kunne aantrekt en húp: daar komen ze. Neem de zijdemot: het mannetje hoeft maar een paar moleculen van de lokstof van het vrouwtje te bespeuren om haar kilometers verderop op te sporen. Zo wordt voorzien in een van de meest primaire driften van elk dier: de drang tot voortplanting. En dat geeft dan ook nog eens een fijn gevoel, hoewel we dat bij egeltjes wagen te betwijfelen.
Mensen zijn ook dieren. Maar zelf ontkennen we dat liever, zéker in de zomer. Uiterlijke kenmerken, zoals lichaamsbeharing, scheren we weg. Lichaamsgeuren maskeren we met gecultiveerde vloeistoffen als parfums en deodorants. Die zijn bedoeld om aangenaam te ruiken, maar dat blijft iets lastigs: wat de één lekker vindt, stoot de ander af. Wat je als aangeklede aap eigenlijk wil, is dat álle potentiële sekspartners in de wijde omtrek (nou ja, zo veel mogelijk dan) zich onbewust tot je voelen aangetrokken. We zouden dus een subtiele sekslokstof moeten afscheiden, precies zo eentje als alle andere dieren dat doen. Bestaat dat stofje? Wie het vindt en in een flesje zou kunnen stoppen, heeft de heilige graal van de geurindustrie gevonden.

Lees het gehele artikel in de HP/De Tijd van deze week.

mark traa